Hoog bezoek

De familie met de lange naam is neergedaald in het dorp, om met haar persoonlijke aanwezigheid glans bij te zetten aan de onthulling van de gedenksteen. ’t Zal een half jaar geleden zijn geweest. Ik weet niet wiens idee het was, om het deel van de weg dat naar het dorp leidt naar de familie te vernoemen en om die grandioze gebeurtenis te benadrukken door een kniehoge plaquette in de berm te plaatsen, vast een ideetje van de burgemeester zelf en waarschijnlijk is er ook lichte druk door de familie uitgeoefend. Ze zijn in elk geval uit Lissabon afgereisd, donker en onberispelijk gekleed, de beide broers die al tegen de tachtig lopen, hun vrouwen die met matig succes jonger proberen te lijken en een handjevol troonopvolgers, gladgeschoren zonen die het midden houden tussen rijpe studenten en jonge managers. Ze stralen uit wat Portugese rijkeluiszoontjes altijd moeiteloos weten uit te stralen. Arrogantie. Onuitstaanbare arrogantie.

Ze zijn gekomen om zich te laten huldigen in Niemandsdorp.

Ik weet ook niet een-twee-drie waarom dit uitgerekend nu moest gebeuren. Tot en met het derde kwart van de vorige eeuw bewoonde de familie het grootste huis van het dorp, het huis met de meeste landerijen. De Anjerrevolutie maakte een eind aan de koloniale oorlog, aan de dictatuur en aan de almacht van de grootgrondbezitters. Sinds de revolutie staat het huis leeg. De kostersvrouw werd de zaakwaarnemer van de familie. Ze houdt een oogje op de landerijen, ze telt de bomen en organiseert de oogsten. Iedereen onder de veertig weet niet anders of de kostersvrouw is de baas. Misschien dat de familie weer eens een machtswoord wilde spreken en daarom zo pontificaal naar de onthulling uitrukte. ’t Kan ook alleen een politiek ideetje zijn geweest. Zo’n ideetje moet dan meestal worden uitgevoerd.

’t Is een gekke optocht die het dorp verlaat, op weg naar de plechtigheid. De fanfare, daarna de pastoor met het wijwatervat, daarna de familie met de notabelen en daarna de gewone stervelingen, wij zelf incluis. Veel mankepoten, een man in pyjama, twee rolstoelen. Er lijken anderhalf keer zoveel zwarte weduwvrouwtjes uitgelopen dan er zwarte weduwvrouwtjes in het dorp zijn. We passeren het huis van de familie, Casa Grande in de volksmond. Het zal voortaan aan de straat staan die de naam draagt van zijn nooit aanwezige bewoners. We passeren het gloednieuwe straatnaambordje. De zevenvoudige familienaam is hier, om postale en cartografische redenen, ingekort tot twee van haar componenten. De optocht volgt het tempo van de fanfare. IJzig langzaam. Na een kilometer verkeersweg staan we om de plaquette geschaard waarop de volledige familienaam valt te lezen, nog niet door gras overwoekerd. De pastoor, de familie en de notabelen in de binnenste kring, de dorpelingen eromheen, met inachtneming van een eerbiedig cordon. De fanfare is doorgewandeld en speelt honderd meter verder, midden op de weg, iets ongelooflijk plechtigs. Het verkeer staat stil.

De burgemeester spreekt. Hij houdt het relatief kort. De pastoor sprenkelt. Dan is het afgelopen. Men treedt terzijde om de twee vrachtwagens en de personenauto doorgang te verlenen en begint aan de terugtocht.