Een raadselachtige taal

Wat Japans was in de jaren tachtig is Chinees nu. De populariteit van de studie komt door de groei van het land. Maar de liefde voor de taal blijft bepalend.

Leiden is de stad voor taalfreaks. Voor ‘gewoon’ Engels, Frans of Grieks kun je op meerdere universiteiten terecht, maar wie zich wil scholen in het Tibeto-Birmaans, het Akkadisch of het Berbers, moet naar Leiden. Dat wil niet zeggen dat je altijd terechtkomt op een piepklein instituut met twee of hooguit vijf eerstejaars. Neem nu Chinees. Bij die studie voltrekt zich een percentuele groei waaraan die van China zelf nog niet kan tippen. „Tot twee jaar geleden hadden we jaarlijks ongeveer 50 eerstejaars”, vertelt Anneke Amir, studiecoördinator ‘Talen en culturen van China’. „Maar vorig jaar waren het er ineens honderd, en dit jaar gaan we denk ik uitkomen op 130.”

De verklaring voor de groei ligt voor de hand. China heeft zichzelf opengesteld voor de rest van de wereld. Fabelachtig zijn de groeicijfers die ons bereiken. De wereld komt China ook van harte tegemoet. Peking krijgt de Olympische Spelen. En belemmeringen die vroeger onoverkomelijk waren, zoals de slechte mensenrechtensituatie in China, lijken er opeens niet meer toe te doen.

Toch kan dit alles niet de enige verklaring zijn voor de groei op het sinologisch instituut in Leiden. Anneke Amir: „Als je kijkt naar het arbeidsperspectief, en dat doet een behoorlijk deel van de eerstejaars, dan zou je net zo goed Koreaans kunnen kiezen.” Ook een ver land met een bijzondere taal en cultuur, en al sinds de jaren negentig van de vorige eeuw een Aziatische tijger. Amir: „Maar daar hebben ze al die jaren zelden meer dan vijf eerstejaars gekregen.”

Jamila Bakkers (19, tweedejaars) koos voor Chinees omdat ze een niet-westerse taal en cultuur wilde doen. In China werken is ook niet haar toekomstdroom. „Ik zou wel docent willen worden. Hier op de universiteit bijvoorbeeld.” En op een middelbare school? „Ja, daar hoor je hier de docenten ook wel over. Er zijn veel scholen waar je voor de lol Chinees kunt kiezen. Het is een optie, maar eigenlijk zou ik liever onderzoek willen doen.” Jamila weet ook al welke richting ze gaat kiezen: klassiek Chinees.

Spreek je Chinees, na één jaar? Nog niet echt, zegt Jamila. „Ik kan zinnen zeggen als ‘ik ga kleren kopen’ of ‘ik ga in het buitenland studeren’. En ik kan een vriend voorstellen aan mijn ouders. Dat soort zinnen. Heel basic eigenlijk.” Anneke Amir: „In het eerste jaar krijgen studenten van alles een beetje. Grammatica, uitspraak en een beperkte woordenschat. Maar ook geschiedenis, politiek en cultuur, waarin je je verder kunt verdiepen. In het tweede jaar blijft taalverwerving zwaar. Je moet steeds meer karakters leren herkennen en schrijven. Je zit ook nog met de uitspraak die je vaak niet aan het karakter kunt zien. Echt stampwerk, niet moeilijk, wel veel.” Een extra probleem: de toonhoogte van een woord is bepalend voor de betekenis.

De studie is nu nog zo ingericht dat elke student in ieder geval één jaar in China verblijft. Anneke Amir: „Er zijn beurzen beschikbaar, al zal met die enorme groei van studenten niet meer iedereen daarvoor in aanmerking komen. Er is nu al een selectieprocedure. De meeste studenten gaan naar China of Taiwan na het tweede jaar. Ze staan hier dan niet meer ingeschreven, dus het is een extra studiejaar. Als je dan een beurs hebt, heb je geen studiefinanciering nodig, je betaalt soms alleen je ticket.” Zo’n jaar aan een Chinese universiteit is niet alleen leuk. „Studenten moeten erg wennen aan het onderwijs. Ze ervaren dat soms als saai, vooral gericht op reproduceren en niet op zelf iets onderzoeken.”

Volgens Bettine Vriesekoop, oud-tafeltennisster en nu correspondent in China voor NRC Handelsblad, duurt het vijf jaar (in China) voordat je behoorlijk Chinees spreekt „en dan nog blijf je elke dag bij leren”. Vriesekoop begon haar studie in 1996. „Ik vond het een fascinerend land met een raadselachtige taal. Ik dacht: kan je zo’n taal echt leren?” Er waren er veel zoals ik, zegt ze. „Als ze klaar waren zouden we wel verder zien. Vaak gingen ze later een heel andere kant op. Gek genoeg waren er toen toch al mensen die er iets zakelijks mee van plan waren.” En dat lukt ook. „Laatst kwam ik een medestudent tegen die bij de douane werkte om te tolken. Een ander werkt als expat in China voor een Nederlands bedrijf. Weer een ander heeft een topfunctie bij ABN Amro in Hongkong.”

Anneke Amir ziet voor studenten zeker een toekomst weggelegd in een ‘brugfunctie’ bij Nederlandse bedrijven in China. „Jij bent dan degene die Chinees spreekt en die de weg in het land weet. Toevallig gaat een student van ons binnenkort beginnen bij een Nederlands bedrijf dat zich in China heeft gevestigd. Tussen de Nederlandse leiding en de Chinese werknemers zit niks. Die jongen moet een schakel worden tussen die twee ver uit elkaar liggende groepen mensen. Direct vertalen natuurlijk, maar ook het overbrengen van ideeën en wensen van de leiding, wat door cultuurverschillen lastig kan zijn.”

Edward Rikkert de Koe kent de voetangels en klemmen uit de praktijk. Niet in China, maar in Japan. „Toen ik in 1986 Japans ging studeren, was die taal net zo populair als Chinees nu. Er was zelfs een numerus fixus. Niet omdat de universiteit die studenten niet wilde hebben, maar omdat de vakgroep de toevloed niet aankon. Ze hebben de studie toen proberen op te leuken met de managementvariant, speciaal voor de studenten die hoopten op een baan in een Japans bedrijf, maar daar kreeg je eigenlijk van alles een beetje en nergens genoeg van.

‘Het Japanse bedrijfsleven deed het erg goed in die tijd. Heel veel bedrijven wilden dochter-ondernemingen over- zee oprichten en daarvoor hadden ze personeel nodig dat een brug kon slaan tussen het kader en de gewone werknemers. Maar studenten die dat gingen doen, raakten vaak teleurgesteld. Vooral de meisjes. Ze kwamen meestal in een secretaresse-functie terecht. Voor een kaderfunctie willen die bedrijven toch eigenlijk dat je economie hebt gestudeerd.” Rikkert de Koe heeft zelf een eigen bedrijf dat rechten en licenties voor Japan regelt, bijvoorbeeld voor muziek- en filmdownloads. „We hebben ook bemiddeld om die Japanse voetballer (Shinji Ono, red.) bij Feyenoord te krijgen, en daarna regelden we samen met onze partner de uitzendrechten van de voetbalwedstrijden.”

Of hetzelfde in China kan? „Ik moet het nog zien. Wij werken liever met een Japanse tussenpartij. De Chinezen staan erom bekend dat ze vaak niet betalen, zeker in onze branche.”

Een advies heeft Rikkert de Koe ook: „Je moet alleen Chinees studeren uit liefde voor de taal. Maar dat weten de hoogleraren ook. Ze laten de studenten heel bewust beginnen met het leren van al die karakters, daar zitten de eerste jaren vol mee, dan kun je het kaf van het koren scheiden.”

www.tcc.leidenuniv.nl/

    • Marlies Hagers