Dier in relatie met de mens

Dierwetenschappen is meer dan een goed alternatief voor uitgelote studenten diergeneeskunde. De studie in Wageningen wordt steeds breder én populairder.

In een practicumlokaal van Wageningen Universiteit ligt een veertigtal doodgeboren biggetjes met opengesneden buik op houten snijplankjes. De poten zijn met touwtjes vastgebonden aan de hoeken van de plank zodat de ingewanden geen geheimen hebben. De bedoeling is dat de tweedejaarsstudenten, die voorzichtig met vingers, mes en schaar in de buikholte wroeten, de verschillende organen leren kennen. „Je kunt een dier zien als een black box die van alles levert, zoals eieren en vlees. Maar je moet als aanstaand wetenschapper ook weten hoe zo’n dier in elkaar zit”, zegt docent Arie Terlouw.

Behendig helpt hij twee studenten, die twijfelen of ze de schaar op de juiste plaats hebben gezet, de maag en darmen te verwijderen. „Hebbes”, zegt Terlouw, waarna hij met een gevulde hand richting prullenbak loopt. De elementaire kennis van organen houdt niet over, vindt Terlouw. „De dunne darm is voor de meeste studenten eenheidsworst. De blinde darm zegt ze iets meer, maar ze hebben geen idee dat daar een blindzak aanhangt en hoe belangrijk deze is.” Een enkele student bekent ’s nachts slecht te hebben geslapen bij het vooruitzicht in een dood biggetje te moeten snijden, maar Teun van de Braak verklaart juist uitgekeken te hebben naar dit lesje anatomie. „Je studeert dierwetenschappen. Dan wil je toch alles van zo’n dier weten.”

Met 450 studenten is dierwetenschappen een van de grootste studierichtingen aan Wageningen Universiteit. Tot ver in de vorige eeuw, toen de universiteit nog een landbouwhogeschool was, heette de opleiding veeteelt, later omgedoopt in zoötechniek. Omdat die naam een te technocratisch beeld opriep, werd eind jaren negentig de naam dierwetenschappen gekozen. „Dat is de letterlijke vertaling van hoe de studie in het buitenland genoemd wordt (Animal Sciences) en het geeft precies aan wat we doen: dieren bestuderen”, zegt opleidingsdirecteur René Kwakkel. Diergeneeskunde is er op gericht zieke dieren beter te maken; bij dierwetenschappen wordt geleerd hoe dieren gezond gehouden kunnen worden, vooral om de voedselvoorziening te kunnen garanderen.

Tijdens de vijf jaar durende opleiding (drie jaar bachelor, twee jaar master) worden exacte met sociale vakken gecombineerd. Studenten krijgen niet alleen te maken met biologische deelgebieden als fysiologie en genetica maar verdiepen zich bijvoorbeeld ook in bedrijfsprocessen, communicatieleer en productiesystemen. „We behandelen alle wetenschappelijke gebieden rondom dieren”, legt Kwakkel uit. Wat eet een dier? Hoe past het dier zich aan een stal aan? Hoe worden dierlijke producten verwerkt? Het zijn voorbeelden van onderwerpen die aan bod komen. Het brede aanbod moet studenten leren om verbanden te zien en inzicht te verwerven.

‘Zeker in de eerste jaren richten wij ons niet op een specifieke diersoort. Er zijn studenten die bij voorkeur alles over een paard willen weten, maar wij zeggen dan dat je al dat andere ook moet weten om later het gedrag van een paard in het juiste kader te kunnen plaatsen.” In de masterfase wordt er meer gespecialiseerd. Fokkerij en genetica, diervoeding en diergezondheid en welzijn zijn enkele mogelijke afstudeerrichtingen.

De dieren die in Wageningen onderwerp van studie zijn, waren tot 2002 vooral vissen en landbouwhuisdieren, zoals runderen, varkens en pluimvee. Sinds de invoering van het bachelor-mastersysteem is de opleiding verbreed en komen ook gezelschapsdieren, grote grazers en dierentuindieren aan bod. Voorwaarde is dat dieren op de een of andere manier (voedselvoorziening, welzijn, sport, natuurbeheer) een relatie moeten hebben met de mens. Het is een essentieel verschil met de studie biologie. Maar tussen de verzameling skeletten die in de hal van het practicumgebouw zijn tentoongesteld, staat bijvoorbeeld ook de groene leguaan. Niet direct een beest dat je met mensen associeert. „Maar in Zuid-Amerika wel”, zegt Kwakkel. „Daar zijn de huid en het vlees heel belangrijk.”

Wageningen Universiteit speelt met de verbreding van het studieaanbod op de interesses van studenten in. De veronderstelling dat de meeste studenten een agrarische achtergrond hebben en vooral geïnteresseerd zijn in boerderijdieren, is een misvatting, zegt Kwakkel. Slechts vijf procent van de studenten is afkomstig van een boerenbedrijf. „Verreweg de meeste studenten vinden het leuk met dieren om te gaan en er meer van te weten. En dan vooral dieren die ze zelf in het dagelijks leven tegenkomen. Klassieke veeteelt is niet meer zo in trek.” Beginnende dierwetenschappers vertonen een toenemende belangstelling voor gezelschapsdieren en gedragsstudies, een constante interesse voor rundvee of koeien en een afnemende belangstelling voor varkens en pluimvee. De recente uitbraken van besmettelijke dierziekten als MKZ en vogelgriep hebben niet tot een grotere aanwas van studenten geleid. Wel zijn de studenten die zich bezig houden met boerderijdieren meer geïnteresseerd in de macro-economische gevolgen van de uitbraak van epidemieën.

Het aantal studenten is met vijftig procent gegroeid, sinds de opleiding in 2002 werd verbreed. Dierwetenschappen is hierdoor nu iets geworden voor biologisch georiënteerde studenten, zegt opleidingsdirecteur Kwakkel. Hij erkent dat de populariteit ook te danken is aan het feit dat dierwetenschappen een alternatief is voor de mensen die uitgeloot worden voor diergeneeskunde. Dit geldt voor ongeveer één op de drie studenten dierwetenschappen. Maar de conclusie dat dierwetenschappen een zogeheten ‘parkeerstudie’ of een ‘tweede keus-opleiding’ is, deelt hij niet. „Er zijn altijd studenten die blijven meeloten bij diergeneeskunde, maar er zijn er ook die, als ze de keuze krijgen, niet meer willen overstappen.”

Bij de masteropleiding stromen ook buitenlandse studenten in. Ze zijn van oudsher vaak afkomstig uit Azië en Afrika en geïnteresseerd in landbouwdieren. De laatste jaren is er een forse toename van studenten uit landen als België, Frankrijk en Italië. Zij worden getrokken door de naam en faam van de opleiding. Kwakkel: „Wij staan in Europa bij de topvijf.”

Afgestudeerde dierwetenschappers vinden hun weg in het onderwijs en onderzoek, de (semi-)overheid of het bedrijfsleven. Scholen, voedingsproducenten, dierentuinen, productschappen en instellingen als de Gezondheidsdienst voor dieren zijn potentiële werkgevers. „Wij leveren studenten af die alles weten over bijvoorbeeld diervoeding maar ook specialisten die minister Veerman bijstaan als hij in Brussel moet overleggen over het non-vaccinatiebeleid”, zegt Kwakkel.

www.dierwetenschappen.nl

    • Martin Steenbeeke