Hele dagen werken was hier heel gewoon

Tegenwoordig staat Nederland bekend om zijn goede sociale voorzieningen.

In de negentiende eeuw was Nederland juist laat met de afschaffing van kinderarbeid.

Ik weet niet waar Saartje gebleven is. Een groot doch somber gebouw is zij binnengegaan; een steilen trap heeft zij beklommen en, hijgend naar den adem, is zij verdwenen in een der zalen van de uitgestrekte stoom-wolspinnerij.

Wie is Saartje? Een meisje van elf, dat in 1863 in de Leidse textielindustrie werkte. Ze speelt de hoofdrol in Fabriekskinderen van J.J. Cremer. De populaire schrijver schreef de novelle na een bezoek aan een spinnerij.

Tegenwoordig mag Nederland bekend staan als gidsland op het gebied van sociale wetgeving, in de negentiende eeuw was het één van de laatste Europese landen die kinderarbeid afschafte. Engeland had al in 1833 een wet tegen kinderarbeid, Pruisen in 1839 en Frankrijk in 1841. Hier was in 1863 nog altijd niets geregeld.

Hoe kon Nederland zo achterlopen? Historica Willemien Schenkeveld schreef Het Kinderwetje van Van Houten, over de afschaffing van kinderarbeid in Nederland. „De regering zei dat het hier minder erg was dan in andere landen. In de industrie klopte dat, die was minder grootschalig dan bijvoorbeeld in Engeland. Maar in de landbouw en in kleinere werkplaatsen was de situatie hier hetzelfde als in de rest van Europa. Kinderen vanaf zes jaar deden simpele klusjes, vanaf een jaar of tien werkten ze hele dagen mee. Het was niet vanzelfsprekend dat je naar school ging. Soms was het werk erg zwaar of gevaarlijk.”

De liberalen waren in Nederland aan de macht. Zij zagen niets in een wet die ingreep in de verhouding tussen werkgever en werknemers, ook als die werknemers kinderen waren. Een leerplichtwet werd vooral tegengehouden door de calvinisten: het mocht niet zo zijn dat een ouder verplicht zou worden zijn kinderen naar een openbare school te sturen (de wet op het bijzonder onderwijs was nog ver weg). In de loop van de negentiende eeuw werden zeker drie grote onderzoeken gedaan naar kinderarbeid, maar met de resultaten werd nooit iets gedaan.

Angstig rept hij gestadig den handjes, want ziet ge, al tweemalen heeft hij van hem een duchtigen tik met den rolstok gehad, hier op den schouder, erg valsch! erg valsch en gemeen! Dit schreef Cremer over een jongetje van tien, dat met Saartje in de fabriek werkte. De verspreiding van Cremers novelle maakte op de burgerij diepe indruk. Langzaam maar zeker ontstond de overtuiging dat het eigenlijk niet kon dat fabriekseigenaren die arme kinderen zo uitbuitten.

En zo kon het gebeuren dat in 1874 de Tweede Kamer een wetsvoorstel van Kamerlid Samuel van Houten om kinderarbeid te verbieden aanvaardde. Voortaan was het kinderen tot 12 jaar verboden in fabrieken te werken. Werken in de landbouw, het huishouden en thuiswerk mochten ze nog wel. De controle werd aan de gemeenten, die dat vaak niet deden, overgelaten. In cijfers over schoolbezoek is geen enkele invloed van de wet te zien. Pas na de Leerplichtwet van 1901 gaan meer kinderen naar school. Buiten schooltijd blijven kinderen nog lang meewerken. Eigenlijk pas na de Tweede Wereldoorlog wordt een jeugd van spelen en leren voor alle kinderen gewoon.

Hoe is kinderarbeid in Nederland in de negentiende eeuw te vergelijken met de situatie zoals die nu in Azië is? „Het was toen in Nederland veel erger dan nu in Azië”, zegt Kristoffel Lieten, kinderarbeiddeskundige van de Universiteit van Amsterdam. „Van Houten legde vast wat al aan het gebeuren was. Steeds minder kinderen werkten in fabrieken, omdat er behoefte was aan geschoolde arbeiders.

De wet in India loopt op de praktijk vooruit, volgens Lieten. „Door de enorme armoede en het gebrek aan sociale voorzieningen moeten ouders hun kinderen wel mee laten werken, in de landbouw of in winkeltjes. De nieuwe wet gaat ervan uit dat het niet nodig is dat kinderen werken, maar dat is nog lang niet zo.”

Heeft de wet dan wel zin? „Zeker. Het is een ethische uitspraak tegen kinderarbeid. De publieke opinie zal erdoor veranderen. De regering is nu gebonden iets aan de kinderarbeid te doen.”

    • Inger Kuin