Luiers de deur uit

Zindelijkheidstraining vanaf de geboorte? Het werkt, volgens auteur Laurie Boucke. “Onze westerse luiercultuur houdt kinderen onzindelijk.” Nienke Beintema

Het Nederlandse jongetje Koos, tien maanden oud, is zindelijk doordat de training al vroeg begon. Dat de ouders hun baby boven de teil of de gootsteen laten plassen, hoort daarbij. foto jantine meeter, uit boek

Christien uit Drachten is moeder van drie kinderen van één, twee en drie jaar. Een vierde is op komst. Kennissen vragen haar meewarig of het niet lastig is, zoveel kinderen tegelijk in de luiers. “Nee hoor,” antwoordt ze dan. “Luiers gebruiken we nauwelijks. De oudste twee gaan zelfstandig naar de wc, en ook de jongste is thuis luiervrij. We hoeven haar alleen te helpen bij het naar de wc gaan.”

Christien beheert het Nederlandse Yahoo-forum ‘Baby’s op het potje’, een internetgemeenschap van ouders die, net als zij, al snel na de geboorte van hun kinderen zijn begonnen met zindelijkheidstraining. Als leidraad gebruiken ze de boeken van de Amerikaanse auteur Laurie Boucke, waarvan de laatste onlangs in het Nederlands is verschenen: Je baby op het potje: vroeg en vrolijk zindelijk.

“Eigenlijk is zindelijkheidstraining niet het juiste woord,” benadrukt auteur Boucke. “Ik spreek liever van zindelijkheidscommunicatie. ‘Training’ wekt associaties op met dwang en straf. Deze methode werkt echter fundamenteel anders. Het gaat er puur om dat ouders en baby’s leren elkaars signalen op te vangen en te begrijpen.” Baby’s, zo zegt Boucke, zijn veel slimmer en ontvankelijker dan we denken. Wij denken ten onrechte dat een baby niet doorheeft dat hij aandrang heeft en zich ontlast. “Zo leren we een baby zijn luier te beschouwen als een wc, en het gevoel van de natte luier te negeren. Een paar jaar later willen we hem juist het tegenovergestelde leren. Dat is voor een kind verwarrend en frustrerend.”

signalen

Een normale, gezonde baby is zich volgens Boucke wel degelijk bewust van zijn lichaamsfuncties, en kan hier al vanaf dag één op reageren. Baby’s, zo legt ze uit, geven signalen af wanneer ze zich moeten ontlasten. Hun humeur verandert, ze wriemelen, trekken rare gezichten, maken bepaalde geluidjes of worden juist opeens stil. “Het precieze gedrag verschilt per baby,” zegt Boucke. “De kunst is dat je je baby nauwkeurig observeert en ontdekt wanneer hij moet. Probeer vervolgens de ontlasting op te vangen in een bakje of potje.”

Hoe meer een baby deze methode beoefent, hoe meer hij zijn sluitspieren gaat gebruiken en controleren. Dat is in tegenspraak met de gangbare aanname dat kinderen dat pas kunnen vanaf een jaar of twee. “Iedereen die zindelijkheidscommunicatie toepast, weet dat die aanname niet klopt,” zegt Boucke. “Al heel snel hoeft je baby namelijk minder vaak te plassen en blijft hij overdag en ’s nachts vaker droog. Baby’s kunnen hun ontlasting wel degelijk ophouden.”

Marten deVries, hoogleraar sociale psychiatrie aan de Universiteit van Maastricht, heeft een verklaring voor het feit dat Westerse leerboeken iets anders zeggen. “Baby’s reageren in sterke mate op het verwachtingspatroon dat ouders van ze hebben,” zegt hij, “en dat verwachtingspatroon is zeer sterk cultureel bepaald. Als ouders denken dat hun kind niet voor zijn tweede zindelijk kan zijn, dan wordt het dat ook niet.” In veel andere culturen, bijvoorbeeld in Afrika en Azië, gaan ouders er vanuit dat een kind veel sneller zelfstandig is. Daar is de opvoeding op afgestemd. En zie: in deze culturen zitten en lopen kinderen eerder dan bij ons, en zijn ze vrijwel altijd voor hun eerste verjaardag zindelijk.

DeVries onderzocht kindergedrag en -ontwikkeling bij drie verschillende volken in Oost-Afrika. Hij zag dat moeders hun baby’s, zonder luier, in een draagdoek op de rug overal mee naartoe namen. “De baby zal zijn moeder zelden bevuilen,” zegt hij. DeVries constateerde dat kinderen van de Digo, die zo opgroeiden, al rond de vier tot zes maanden ook ’s nachts meestal droog bleven. Zodra ze konden lopen, wat al vroeg het geval was, gingen ze uit zichzelf naar buiten om hun behoefte te doen. “Er is geen enkele reden waarom dat voor Westerse kinderen anders zou werken,” stelt DeVries.

Paul Smeets, emeritus hoogleraar ontwikkelingspsychologie aan de Universiteit Leiden, onderschrijft dit. Hij onderzocht de effectiviteit van vroege zindelijkheidstraining, en constateerde dat de onderzochte baby’s tussen de 8,5 en 10,7 maanden klaar waren met de training: ruim voordat ze konden lopen.

Jean-Jacques Wyndaele, uroloog van het Universiteitsziekenhuis in Antwerpen, onderzocht de ontwikkeling van zindelijkheidstraining in België in de afgelopen zestig jaar. Hij stelde vast dat ouders die waren geboren tussen 1920 en 1940 steevast met zindelijkheidstraining begonnen vóór hun kind anderhalf was. Veertig jaar later begon men ruimschoots daarna. Hij verklaart die ontwikkeling door de opkomst van wegwerpluiers en het feit dat ouders steeds vaker allebei werken.

Een interessante vraag is of vroege zindelijkheidstraining voor kinderen slecht zou kunnen zijn. Klassieke psychoanalytici stelden bijvoorbeeld, in navolging van Freud, dat vroege zindelijkheidstraining kan leiden tot een anale obsessie, contactgestoordheid en gierigheid. “Die connectie is er hoogstens voor de zindelijkheidstraining van begin vorige eeuw, waarbij kinderen met harde hand werden getraind,” werpt sociaal psychiater DeVries tegen. Mieke van der Schoot, psychoanalytica en kinder- en jeugdpsychiater bij het Nederlands Psychoanalytisch Instituut, beaamt dat. “Tegenwoordig denken we niet dat er een absoluut verband is tussen het tijdstip van zindelijkheidstraining en de latere karakterontwikkeling. Waar het om gaat, is welke relatie ouders met hun kind hebben.”

ingewikkeld

Hoogleraar DeVries denkt dat zindelijkheidscommunicatie prima samengaat met onze cultuur. Wat hij in elk geval afraadt, is wachten tot het kind zelf op drie- of vierjarige leeftijd over zindelijkheid begint: “Dan is het kind volop bezig zijn plek in de wereld te ontdekken en zich sociaal te ontplooien. Als het zich dan óók nog moet concentreren op zindelijkheid, kan de zaak nodeloos ingewikkeld worden.”

Voor de toehoorder klinkt de methode van Boucke echter óók vrij gecompliceerd. Je moet immers voortdurend alert zijn op de signalen van je baby. “Veel ouders vinden de methode juist gemakkelijker,” merkt Boucke op. “Zodra je eraan gewend bent, kost het aanzienlijk minder tijd dan steeds opnieuw luiers verwisselen. Daarnaast bespaar je jezelf het langdurigere proces van het zindelijk krijgen van een kleuter.”

Psychoanalytica Van der Schoot betwijfelt dat laatste: “Latere zindelijkheidstraining hoeft helemaal niet zo’n strijd te zijn. Als je er in de zomer mee begint en je kind heerlijk zonder luier rondloopt, dan verloopt het meestal erg soepel. ” Daarnaast waarschuwt ze tegen al te hoge verwachtingen bij ouders die vroege zindelijkheidstraining toepassen: “Het kan zijn dat het lang niet zo gemakkelijk gaat en dat een kind rond zijn tweede nog steeds niet echt zindelijk is. Dan bestaat de kans dat ouders toch dwingend worden.”

intieme momenten

Bouckes ervaring is echter dat zowel ouders als baby’s vanzelf lol hebben aan de zindelijkheidscommunicatie. “Je beleeft zoveel meer intieme momenten en kleine overwinningen dan wanneer je kind luiers draagt,” zegt ze. Of kinderen er later in hun leven aanwijsbaar voordeel van ondervinden, weet Boucke niet. “Maar daar doe je het ook niet voor. Je doet het omdat het bij je levensstijl en bij je karakter past. En iedereen – ouder of wetenschapper – die denkt dat het schadelijk is, raad ik aan: probeer het eens. Je zult ervaren dat het niets anders is dan een gezellige, kindvriendelijke, verzorgende manier van met je kind omgaan.”

‘Je baby op het potje: vroeg en vrolijk zindelijk’, door Laurie Boucke. Uitgeverij Thoeris 2006, ISBN 9072219090

    • Nienke Beintema