Inbreken bij Artis

Al sinds de oprichting krijgt de Amsterdamse dierentuin jeugdig nachtbezoek: Kees van Nieuwkerk (18) klimt ook over het hek

NA SLUITINGSTIJD: hyena krijgt nachtbezoek Foto Reuters A hyena cub rests on the plains of the Masai Mara game reserve August 10, 2006. Picture taken August 10, 2006. REUTERS/Barry Moody (KENYA) REUTERS

Jaarlijks ontvangt de Amsterdamse dierentuin Artis meer dan een miljoen betalende bezoekers, maar daarnaast krijgt hij ook bezoek van een kleine groepje nachtelijke avonturiers die het park ver na sluitingstijd betreden. Ook Kees klimt over het hek. Hier zijn verslag:

Alle kroegen zijn dicht en ik heb nog geen zin om naar huis te gaan. Het is stil op straat. Maanlicht schijnt op de spijlen van het hek. Ik haal diep adem, de adrenaline giert door mijn lijf. Het ruikt naar de nacht, maar ook naar beesten. Ik treuzel niet langer, klauter, en voor ik het weet sta ik aan de andere kant van de omheining.

Joris (17) was de eerste van wie ik hoorde over de massa’s rusteloze jongeren die jaarlijks bij Artis inbreken. Op zijn advies ben ik bij de dinosaurus, aan de zijkant van het park, over het hek geklommen. „En als je dan aan de andere kant staat moet je meteen het park in lopen, anders kunnen de mensen op straat je nog zien en verlinken. Rechts voor de pinguïns, en links voor wat lama’s of beesten die daar op lijken.” „En rechtdoor?” „Rechtdoor is voor de verliefde stelletjes. Dus ga jij nou maar links Kees.”

rode hyena-ogen

Na de pinguïns en wat ander gevogelte, schuifel ik dieper het park in. Als de dood dat ik gepakt word door een bewaker vermijd ik goed verlichte paden. Vroeger kwam ik hier altijd met mijn ouders, of oma, om naar de vreemde dieren te kijken. Nu ben ik constant op de uitkijk naar mensen, de bewaking. Dan blijf ik stokstijf staan. Twee priemende rode ogen kijken mij aan. Een hyena, een machtig gezicht zo ’s nachts. Ik herken het beest meteen aan zijn loopje. Ik slaak een zucht van opluchting, even een bankje opzoeken om mijn hartslag weer in een vertrouwd ritme te krijgen.

Dit moet het bankje van Sophie zijn, denk ik, wanneer ik aan een vijvertje met flamingo’s even wat rust pak. Sophie (19) vertelde mij tot in detail over haar scharrel en hun nachtelijke bezoek aan Artis. „Het was een uur of vijf in de ochtend toen ik en Bart over het hek klommen. Gewoon bij de hoofdingang, hartstikke makkelijk. Vriendinnen van mij waren al binnen, zij waren met hun dronken kop van de glijbaan aan het gaan. Wij zaten verderop, bij de flamingo’s, toen we opeens hondengeblaf hoorden. Er kwam een bewaker, die bleek aardig te zijn, en bracht ons naar de uitgang. Later hoorde ik dat die man op mijn vriendinnen een hond had losgelaten. Ze moesten rennen voor hun leven en waren eenmaal over het hek gesprongen pas weer veilig.” Toen Sophie dit verhaal aan mij vertelde moest ik lachen, nu niet meer. Ik denk dat de bewaking aardig is tegen tortelduifjes maar niet tegen aangeschoten grut. Snel drink ik mijn blikje Red Bull op. Hoe zou de bewaking reageren op een zonderling, denk ik.

pinguïnman

„Hallo”, klinkt een mannenstem plots voor mijn neus. Ik veer op van het bankje, maar besluit in een fractie van een seconde dat ik het nog niet op een lopen zet. De man van de groet is duidelijk geen bewaker. „Ik ben Bob”, zegt de man. En Bob vertelt: „Ik kom hier wel vaker, zo ’s nachts is het hier heerlijk. En ik ben dol op pinguïns. Je kan met een bootje via het water aan de achterkant van het park naar binnen, zo doe ik dat. Ik ben Bob.” Het duurt niet lang voordat ik door heb dat Bob krankzinnig is, of zwaar aan de drugs. Zijn ogen tollen, en hij trekt onophoudelijk aan zijn sikje. Dan zie ik zaklantaarns door de bosjes deze kant op bewegen. En is dat niet het gehijg van een hond? Ik waarschuw Bob, maar die is niet onder de indruk. „Ik ga naar de Pinguïns, Pinguïns”, zingt hij nu.

Lama’s, aapjes, hyena. Zo hard als ik kan ren ik langs de hokken, richting het hek bij de dinosaurus. Ik hoop dat Bob de bewaking wat ophoudt, maar tijd om achterom te kijken heb ik niet. Ik denk aan wat een Artis-medewerker mij vertelde toen ik vroeg naar de jongeren die inbreken in Artis: „Het gebeurt al sinds de oprichting van Artis (1838) en het is gevaarlijk. Jongeren kunnen zich bezeren aan het hek of in het park door het ontbreken van verlichting. Maar wat ook kan is dat sommige dieren in paniek raken door een onverwacht nachtelijk bezoek, je hebt kans dat ze zich hierdoor letterlijk te pletter rennen of vliegen.” Dan hoor ik geblaf, gevolgd door Bob: „Au! Godver! Kutbeest!” Dat zijn vast geen pinguïns, hoor ik mezelf hardop denken, en gelukkig is daar het hek. Vliegensvlug sta ik aan de andere kant, buiten adem.

Ik leun tegen een lantaarnpaal en denk na over wat ik allemaal heb meegemaakt. Een nachtelijk bezoek aan Artis is een spannend avontuur. Maar het besef dat ik net als Bob de klos zou kunnen zijn doet me rillen. Ik pak mijn fiets en gaap, nu kan ik pas echt lekker gaan slapen.