De verliefde lama

Het is kinderboekenweek en het thema is dieren. Voor één keer komt in de rubriek ‘Mens over Dier’ het dier zelf aan het woord, via de pen van kinderboekenschrijver Peter van Gestel (Theo Thijssenprijs 2006). „Waarom ben ik een lama?”, vroeg Zwartneus.

In de dierentuin kun je ver van de ingang het goorzwarte veld met de lama’s vinden. Het wordt omringd door een droge greppel en een hek van ijzer en hout, hier en daar liggen wat rotsblokken slordig op elkaar, uit oeroude ruiven steekt hooi.

De jongste lama van de groep – hij werd Zwartneus genoemd omdat er op zijn neus altijd zwarte korrels aarde zaten – keek op een dag om zich heen, en dacht: wat lijken al die lama’s op een lama, wat ontzettend saai is dat. En als ze mij zien denken ze natuurlijk ook: daar heb je weer zo’n doodsaaie lama.

Zwartneus liep naar zijn vader. Daar was moed voor nodig, want zijn vader was groot en nors, verspreidde een geur waar je duizelig van werd en kon verder spugen dan alle andere lama’s.

„Vader”, zei Zwartneus, „overal om ons heen hoor je gegil, gekwaak en gebrul. Wie maken al die mooie geluiden? En waarom zitten ze ergens anders? Daar wil ik ook wel es zijn. Hier kan ik alleen rondjes lopen en kom ik overal zo’n suffe lama tegen. Ja, en voor de kijkers aan de andere kant van de greppel ben ik bang, die hebben iets in hun ogen van: we zouden je wel op willen vreten.”

„Hoor ik daar iets?”, zei zijn vader die naar de verte staarde.

„Ik ben het maar”, zei Zwartneus.

Zijn vader liet zijn kop zakken, zag zijn zoon en vroeg onverschillig: „Hoe ver kun jij al spugen?”

„Het mag geen naam hebben”, zei Zwartneus terwijl hij naar de grond keek en verlegen tegen een plukje hooi schopte.

„Ik ga pas over het hier en het daar met je praten”, zei zijn vader, „wanneer je over de greppel kunt spugen.”

Hij liet Zwartneus zijn korte pluimige staart zien, liep weg en spuugde in het voorbijgaan even achteloos naar een wijfje.

Zwartneus liep naar een tante, en zei: „Ik wil helemaal geen lama zijn.”

„Zwartneus”, zei zijn tante, „het zal niet lang meer duren of je bent even sterk en groot als je vader.”

„Nou en?”, zei Zwartneus.

„Wanneer jij een echt mannetje bent, moet je hier weg. Van die ene man hebben we al meer dan genoeg last.”

„Waar ga ik dan naar toe?”

„’t Is een hele reis geloof ik. We zien je nooit meer terug. Meer weet ik er ook niet van.”

„Kom ik aan de andere kant van de greppel?”

„Dat kom je. Wees maar trots, ik ben daar nooit geweest. Ja, straks word je verliefd, en dan ga je spugen als een gek en wil je vrijen met ieder wijfje dat je tegenkomt, dat is erg onrustig en ook erg vermoeiend voor ons.”

„Wat is verliefd?”

„Heb je al een van de meisjes op haar kop willen spugen?”

„Nee”, zei Zwartneus, „waarom zou ik?”

„Ach”, zei zijn tante, „wat ben je nog heerlijk onschuldig.”

Ze liep statig weg en snoepte even later van het hooi dat uit een van de ruiven stak.

Zwartneus liep naar een slank lamameisje met wie hij vaak verstoppertje had gespeeld. Doordat haar poten niet even lang waren, liep ze enigszins mank. En ze had maar één oor. Kortom: ze leek wat minder op een lama dan de andere lama’s en daarom vond Zwartneus haar stiekem wel aardig. Maar nog nooit had hij naar haar willen spugen.

Ze keken elkaar aan.

Zwartneus’ tong bewoog in zijn bek, streek langs de binnenkant van zijn wangen, verzamelde al het vocht dat er maar was en toen spuugde hij ineens naar het lamameisje, het kloddertje viel niet ver van haar poten op de zwarte aarde, het leek echt nergens naar.

Ze knorde even.

„Lach je me uit?”, vroeg Zwartneus.

Verlegen snuffelde ze aan de grond.

„Wat is verliefd?”, vroeg Zwartneus.

„Ik wou dat ik het wist”, mompelde ze.

Zwartneus rende weg. Lama’s waren dom, wist hij nu, nee, hij wilde hier weg, want al die domme lama’s om hem heen zouden nooit begrijpen dat hij de enige niet domme lama was.

Hij bleef staan en keek woedend om zich heen.

Wat een onnozele koppen hebben jullie toch, dacht hij, ja ja, ik weet het wel: mijn kop is net zo onnozel, maar die kop hoef ik gelukkig niet de hele dag te zien.

Hij rende van lama naar lama, en omdat hij boos keek, keken ze allemaal boos naar hem, en toen botste hij tegen zijn vader op.

„Wat is verliefd? Ik wil het weten”, zei Zwartneus nijdig.

Zijn vader kauwde, was zo te zien diep aan het nadenken.

„Als je het bent, weet je wat het is”, zei hij na een tijdje, „en als je het niet bent, weet je niet wat het is.”

„Bent u vaak verliefd?”

„Er gaan uren voorbij dat ik het niet ben”, zei zijn vader, en hij lachte. Het was een raar geluid waar Zwartneus van schrok.

„Waarom ben ik een lama?”, vroeg Zwartneus.

Zijn vader zweeg in alle talen.

Zwartneus rende naar de greppel, riep naar de kijkers: „Waarom ben ik een lama?”

Ze begonnen allemaal te roepen, daar verstond hij niets van.

Ze hebben mij vast ook niet verstaan, dacht hij.

Hij rende terug naar zijn vader.

„Waarom kijken ze naar ons?”, riep hij.

„Ik heb het ze nooit gevraagd”, zei zijn vader.

„Waarom kijken wij naar ze?”

„Ik kijk helemaal niet naar ze”, zei zijn vader. „Ik zie ze toevallig. Ik word moe van je vragen, jongen. Word niet verliefd, dat zou dom zijn, ja, want dan is je jeugd voorbij en komen ze je halen.”

Zwartneus liet zijn kop hangen, liep weg van zijn vader.

„Hé, jongen”, riep zijn moeder, „laat je kop niet hangen, gedraag je als een lama.”

Zwartneus sjokte naar zijn moeder.

„Mama”, zei Zwartneus, „ik wil niet verliefd worden.”

„O, daar geloof ik niks van”, zei zijn moeder. „Als je dat zegt, wil je het juist wel worden.”

Zijn moeder rook aan zijn neus, snuffelde aan zijn oren, en likte met haar lange tong over zijn kop.

„Wat doe je nou”, zei Zwartneus kregelig.

„Hm, je ruikt zalig”, zei zijn moeder, „dat geurtje kan ik eigenlijk niet missen.”

„Ik ruik net als mijn zusjes”, zei Zwartneus.

„O nee nee, je ruikt alleen zoals mijn eigen Zwartneusje kan ruiken. Ik wist meteen toen je was geboren: dit is een lief en bijzonder lamaatje. Bemoei je nu maar niet met de meisjes, dan blijf je nog een tijdje hier.”

Zwartneus liep weg en kwam dichtbij de greppel, daar stond achter het hek een kijker die minder groot en dik was dan de andere kijkers. Lange zwarte haren had hij.

We kijken naar elkaar, dacht Zwartneus, hij weet misschien waarom, ik niet.

De kijker liet veel spierwitte tanden zien, stootte een geluid uit waar Zwartneus van binnen helemaal warm van werd.

O, dacht hij, ik ben verliefd, dat moet het zijn, want zo raar heb ik me nog nooit gevoeld, ach ach, ze vindt me vast een lelijke lama. En het is een meisje. Waarom weet ik dat nu weer? De lama is een wonder.

De ogen aan de andere kant van de greppel waren donker en glinsterden. Hij had geen geheimen voor haar, maar zij wel voor hem, dat was het mooie.

Ze liet een aantal zachte geluiden horen.

Ach, dat taaltje versta ik niet, dacht Zwartneus, maar wat klinkt het aardig.

Ze liep weg.

Dat mag niet, dacht Zwartneus, ik wil haar niet missen.

Hij volgde haar, met prachtige sierlijke passen. Zij nam af en toe een sprongetje, dat was ook leuk.

Toen bleef ze ineens staan.

Meteen bleef hij ook staan.

Ze slaakte een kreet.

Hij slaakte ook iets, maar het was geen kreet, eerder een schorre zucht. Weer zag hij al haar tanden. Ze zwaaide met een van haar voorpoten, daarna draaide ze zich om en liep de andere kant op, hij draaide zich ook om en liep opnieuw met haar mee.

O, dacht hij, ze mag niet weggaan, dan ga ik dood, ik ben verliefder dan die domme vader van me ooit is geweest. Dat moet ze toch even weten.

Weer draaide ze zich om, weer draaide hij met haar mee en weer liepen ze naast elkaar, het leek of het hek en die vervelende greppel er niet waren. Zwartneus voelde dat het speeksel in zijn bek zich losmaakte, zijn tong verzamelde al het dikke nat, zijn bek kwam vol te zitten, zijn liefde groeide.

Weer bleven ze allebei staan.

Ze keken naar elkaar zonder zich te bewegen. Toen spitste Zwartneus zijn lippen en nog geen seconde later vloog een schitterende witte fluim over de greppel en landde prachtig op de mooie kop van het meisje.

Ach, ze moest gillen, zo blij was ze.

Hij was trotser dan ooit.

Ze haalde iets uit het rood dat om haar heen hing, even later gooide ze keihard een oranje balletje naar hem toe, het raakte zijn kop, sprong weg en viel op de gore aarde. Ze was nog steeds vrolijk, veegde met mooie gebaren over haar gezicht. Toen liep ze weg, zonder om te kijken, daar was ze natuurlijk te verlegen voor.

Het was al wat donkerder geworden toen Zwartneus nog steeds bij het oranje balletje zat. Hij zou wachten tot ze terugkwam, en dan zou hij opnieuw trots en liefdevol naar haar spugen.

Het werd later en later, en ook donkerder, hij voelde dat niet ver van hem iemand naar hem keek.

Ik ben verliefd, dacht Zwartneus, maar ik weet eigenlijk niet meer precies op wie. Is het wel echt gebeurd?

Achter hem geeuwde iemand.

Hij keek over zijn schouder. Daar zat de jonge meisjeslama met het ene oor en de rare poten. Het gloeide meteen binnen in hem toen hij dat brutale eenzame oor zag. Ach, dacht hij, wat een mooi meisje is dat toch, ik ben stapelverliefd op haar.