Blind date

Nog trouwer dan een hond is een blindengeleidehond. Maar niet iedere hond is geschikt, en het leiden van blinden moet geleerd worden. Fotograaf Pep Bonet volgde de opleiding van de honden in Amsterdam, en Vincent Bijlo, zelf blind, liet zich door de foto's inspireren tot een love story.

Opeens is er weer het diepe medelijden, of mededogen, of compassie, ik weet niet precies hoe ik het moet noemen. Ik weet dat ik dit gevoel niet moet hebben, hij is tenslotte een volwaardig mens, iemand die zijn weg in de valide maatschappij goed kan vinden. Dankzij mij, dat wel, maar af en toe heb ik zo verschrikkelijk met hem te doen.

Hij roept mijn naam. Angstig, wanhopig bijna. Alsof hij weet wat er in mijn kop omgaat. Alsof hij de driften en instincten, die ik verondersteld word niet te hebben, kent. Ik sta tegenover een vrije, ongebonden hond. Ze ruikt naar de zon en naar de velden.

Ze ruikt naar een toekomst waarin niet de klok regeert, maar de liefde. Een toekomst van nooit meer muffe kantoren, van samen kijken hoe de zon opkomt.

Weer roept hij mijn naam. 'Ik vind je lief', fluister ik in het fluwelen oor van de teef tegenover me, 'maar het kan niet. Ik moet mijn plicht doen, mijn vervloekte plicht.'

'Een tongzoen dan', fluistert ze, 'je blinde ziet het toch niet.' Ik lach, ze heeft gelijk. Ik kijk haar diep in haar spottende, lieve, begerige ogen, en dan voel ik plotseling zijn handen op mijn rug. Hij klampt zich aan mij vast alsof hij na uren wanhopig spartelen op volle zee een reddingsboei heeft gevonden. Hij gespt snel en behendig het tuig om mijn buik, pakt mijn beugel beet en wacht tot ik in beweging kom. Ik weet immers waar hij heen moet. Ik weet altijd waar hij heen moet. Hij moet naar kantoor. De teef kijkt mij nog steeds recht in de ogen. Ik wend mijn kop af, ik kan deze brandende, smekende, smachtende blik niet verdragen. Waarom ben juist ik uitverkoren voor dit vak?

Ik kom uit een katholiek hondennest. Het is bij ons gebruik, al generaties lang, dat een van de puppies zich bekeert tot het geleidehondenleven. Maar waarom was het niet Pongo, of Kelly, of Patser, of Bengel? Misschien is het mijn karakter, of juist mijn gebrek aan karakter. Mijn slaafsheid, mijn onderwerping, mijn drang tot goed doen.

Ik ben zo diep in gedachten dat ik mijn blinde tegen een paal laat lopen. Hij vloekt, hij scheldt me uit. Ik brom sorry. Ik ban de teef uit mijn kop, ik haal diep adem en concentreer mij op mijn taak, op mijn plicht, op mijn roeping, op mijn lot, dat ik kan dragen als een echte reu. We lopen naar de tramhalte. Ik zet er flink de pas in, want ik zie dat de tram die wij moeten hebben net komt aanrijden. Hij wil niet harder lopen, raakt geïrriteerd, snapt niet wat mijn bedoeling is. De tram rijdt vlak voor ons weg.

Naast de tramhalte staat een koffiebarretje op straat. Ik weet dat hij van koffie houdt, ik stuur hem er naartoe. Hij heeft niet door wat ik aan het doen ben, hij is verkouden vandaag, ruikt de koffie niet. Zijn irritatie wordt groter. Hij denkt dat we de weg kwijt zijn, maar dat is niet zo, we staan pal naast de tramhalte. Hij zoekt, tast om zich heen met zijn stok. Ik probeer hem gerust te stellen, ga naast hem op de grond zitten, om hem duidelijk te maken dat we bij de halte staan. Ik strijk met mijn kop langs zijn been. Hij wordt rustiger, hij hoort aan de gesprekken van de mensen om ons heen dat we bij de halte staan.

Het is niet dat ik een hekel aan hem heb. Wat mijn vak zo moeilijk maakt is dat altijd alles om hem draait. Hij moet ergens heengebracht worden, en ik moet dat doen. Ik voel me zo vaak een ding, een machine. Ik krijg te eten en te drinken, en heel af en toe een aai over mijn kop, maar daar blijft het bij. Er zijn mensen die zien hoe eenzaam ik ben. Ze willen met me spelen, mij strelen, aaien, knuffelen, maar dat is uit den boze. Daar mag je als geleidehond nooit ofte nimmer aan toegeven. Dat brengt de baas in de war, en je bent er voor de baas.

De baas is boos, omdat het zo lang duurt voordat de tram komt. Na een kwartier stopt

Lijn 5, die moeten wij niet hebben. Hij commandeert me te gaan staan. Ik probeer hem uit alle macht duidelijk te maken dat hij bezig is de verkeerde tram in te stappen. Hij begrijpt me niet. Hij sleurt me mee de tram in, ik jank, schreeuw, blaf, grom. Alles wat ik doe heeft slechts een toenemende kwaadheid tot gevolg.

Na drie haltes heeft hij het in de gaten. We stappen uit, hij belt met zijn mobiele telefoon een taxi, die vijf minuten later al komt aanrijden. De chauffeur is onverbiddelijk. 'Hond niet, niet in auto, hond vies, ik dan geen klant meer wanneer hond straks.'

Mijn blinde ontploft. Hoe hij het in zijn hoofd haalt, dat is pure discriminatie! 'Het is ook altijd hetzelfde met die taxichauffeurs', roept hij. De taxi rijdt weer weg. Daar staan we, niet wetend wat te doen, temidden van het onverschillig voortrazende verkeer.

Mijn hart spring op. Ik zie de teef! Ze is aangelijnd, sleurt haar bazin zo hard ze kan naar mij toe. Daar staan we weer, snuffelend tegenover elkaar.

'Onze honden', zegt de bazin tegen mijn baas, 'mogen elkaar nogal graag.' Hij moet iets gehoord hebben in haar stem dat hem aanspreekt, want opeens is zijn kwaadheid verdwenen. Hij begint over mij te vertellen. Ik weet niet wat ik hoor. Ik ben de liefste, leukste, trouwste hond van de wereld. Hij spreekt met trots over mij, en aait mij ondertussen over mijn rug. We staan daar wel een kwartier, geanimeerd pratend en snuffelend. Dan vraagt de bazin opeens: 'Heeft u misschien zin in koffie, ik woon hier vlakbij.'

'Ach', zegt mijn baas, 'ik ben nu toch al te laat, waarom niet.'

Hij maakt mijn tuig los, geeft de bazin een arm en met zijn vieren lopen we naar haar huis. Ik ben vrij! Maar zij is aangelijnd. Ik ga vlak achter de bazin lopen en blaf één keer, zo hard als ik kan. De bazin schrikt, maar mijn opzet slaagt niet, ze laat de lijn niet los.

Ze kunnen het uitstekend vinden samen, zo blijkt. Ze zitten naast elkaar op de bank, wij liggen naast elkaar op het kleed aan hun voeten. Als zij nou toch eens, net als wij... Ik zie opeens een prachtige toekomst voor me.

Na een half uur staat hij op, we gaan. Ik loop lichter nu, met verende tred. Ik zwier hem soepel om alle obstakels heen, durf de lange trap op het station af te lopen, en vergeet zelfs niet om hem, eenmaal op kantoor gekomen, met mijn kop het juiste knopje in de lift te wijzen. In zijn kantoor is het donker. Ik blaf, hij legt zijn hand op mijn kop, en ik wijs hem de lichtschakelaar. Hij mag het dan niet nodig hebben, ik zou enig licht erg prettig vinden.

Hij begrijpt niet wat ik bedoel. Nog niet, denk ik, nog niet. Ik ga liggen op mijn stretcher naast zijn bureau. Ik tintel, ik gloei, ik heb vandaag de teef van mijn dromen ontmoet. En hij? Hij heeft haar telefoonnummer ingesproken op zijn memorecorder.

's Middags, vlak voor we naar huis gaan, ga ik met mijn voorpoten op zijn bureau staan, en tik met mijn poot op zijn telefoon. Hij glimlacht, neemt de hoorn van het toestel en kiest haar nummer.

Pep Bonet is fotograaf.

Vincent Bijlo is cabaretier en schrijver.

'Hij gespt snel en behendig het tuig om mijn buik, pakt mijn beugel beet en wacht tot ik in beweging kom.'

'Wat mijn vak zo moeilijk maakt, is dat altijd alles om hem draait. Ik voel me zo vaak een ding, een machine.'

'Ik blaf, hij legt zijn hand op mijn kop en ik wijs hem de lichtschakelaar.'

    • Vincent Bijlo