‘Archaïsche troep in onze bol’

Soms kan taalkunde praktisch nut hebben, zegt Pim Levelt. Maar het belangrijkste is dat het ons leert hoe we in elkaar zitten. Als je tenminste de juiste vragen stelt.

Berthold van Maris

‘Als je zegt het regent moet het ook echt regenen’. foto afp A girl walks during a downpour in central Moscow, 25 August 2006. AFP PHOTO / VIKTOR DRACHEV. AFP

‘Opwindende ontwikkelingen’ in de taalwetenschap, daarover gaan we praten in zijn huis in Amsterdam. Pim Levelt vertrekt als directeur van het gerenommeerde Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek in Nijmegen. Hij heeft zich goed voorbereid op het interview. Voor hem, op tafel, liggen twee A4-tjes met aantekeningen. Waaronder opvallend veel kritiek op de ‘cognitivisten’. Oké, wie zijn dat dan?

De taalpsycholoog steekt van wal: “Die cognitivisten zijn de taalkundigen die zeggen: taal gaat over de relatie tussen vorm en betekenis. Of zo je wilt, de relatie tussen vorm en functie. Wat betekent het, en wat doe je ermee? Ze gaan daarom heel goed kijken naar wat ze ‘constructies’ noemen: naar patroontjes die in het taalgebruik veel voorkomen. Op heel kleine schaal heb je het over woorden. Uitdrukkingen als ‘zo gezegd zo gedaan’, maar ook woorden als ‘goeiemorgen’ en abstracte zinspatronen zoals de passief-constructie. Ze noemen dat allemaal constructies: patroontjes die toch net iets meer zijn dan de som van de delen, zeggen ze. Dus ze gaan het netwerk van die constructies in kaart brengen. Dat is gewoon de verzameling van die constructies, die we blijkbaar in ons hoofd ronddragen: allemaal paren van vorm en betekenis, of van vorm en functie.”

Wat is daar tegen?

“Het is leuk. Het is interessant. Maar er gebeurt niet veel meer dan dat. Die cognitivisten schrijven altijd heel levendige analyses van wat de betekenis is van een of andere constructie, bijvoorbeeld het meewerkende voorwerp met ‘aan’ – allemaal heel leuk hoor. Maar je wilt daar natuurlijk ook graag theoretisch inzicht in hebben. Tja, je hebt constructies die op elkaar lijken en die ook soortgelijke dingen doen in termen van functie of betekenis. Dan ga je dus maar iets abstracters zeggen over die kleine of grotere verzameling van constructies. Dat roept bij mij sterke herinneringen op aan de tijd van het behaviourisme [de psychologische stroming die alleen keek naar uitingen en gedrag en niet naar innerlijke processen, red.].

“En waarom zou je dat ook niet gaan doen? Heel simpel: omdat we in de geschiedenis van de taalkunde al hebben meegemaakt dat het niet werkt. Wat we nu juist geleerd hebben in de transformationele taalkunde van Harris, Chomsky en anderen, is dat taal en de relatie tussen vorm en betekenis algoritmisch is. Het gaat om regels. Het is duidelijk dat in het menselijke taalvermogen, en vooral in hoe dat taalvermogen werkt in de praktijk, regels een grote rol spelen. In het brein wordt er heel snel gerekend. Bij die constructivistische taalkunde wordt er niet meer serieus gekeken naar dat algoritmische, berekenende verband tussen betekenis en vorm. Dat is grotendeels verloren gegaan. Ze maken alleen maar een taxonomie van één op één relaties. Dat vind ik een enorm verlies.”

Maar goed, Chomsky hééft geprobeerd zo’n algoritmische theorie over syntaxis te ontwerpen, en dat is niet gelukt. En we zijn nog heel ver verwijderd van een algoritmische theorie over betekenis.

“Dat is niet waar hoor. Er is een formele semantiek. Ik zeg niet dat dat nou de oplossing is. Maar er is wel heel ijverig en zorgvuldig nagedacht over de relatie tussen gedachte, taal en de referentie, dat waar de taal naar verwijst.”

Dan kom je uit bij de logica. Maar heel veel taaluitingen hebben niks te maken met waarheid.

“Taal doet natuurlijk veel meer dan dat, dat is waar. Maar het is wel een centraal aspect. Mensen die met elkaar communiceren, committeren zich aan de waarheid en de juistheid van wat ze zeggen. Als je zegt: Het regent, moet het ook echt regenen. Als mijn gesprekspartner ontdekt dat het niet regent, voelt hij zich genomen. Dus het is een bindende functie, die waarheidfunctie. En om die relatie tussen gedachte, taal en waar het over gaat te kunnen beschrijven, ik denk dat we daar algoritmische theorieën voor nodig hebben.”

Tegenwoordig kunnen we mensen in een hersenscanner schuiven en dan kunnen we zien wat er in de hersenen gebeurt als ze bijvoorbeeld voorwerpen moeten benoemen.

“De taalkundigen hadden aanvankelijk de neiging, toen die neural imaging ontstond, om in de hersenen te gaan zoeken: waar zit het lexicon, waar zit de fonologie en waar zit de syntaxis. Ze lieten iemand rijmpjes lezen, keken wat er geactiveerd werd en zeiden: daar zit dus de fonologie. Dat is een benadering van niks, dat weten we langzamerhand wel.

“Je moet eerst het psycholinguïstische proces kennen, dus het proces van taalproductie of van taal verstaan, waarvan je weet welke stapjes er achter elkaar plaatsvinden, en nog sterker, hoeveel tijd die stapjes kosten. Dat hebben we allemaal heel behoorlijk gemeten en uitgezocht.

„We weten dat het 325 milliseconden duurt voordat je het concept geactiveerd hebt, 100 milliseconden voordat het lemma, het syntactische woord, geactiveerd wordt. Vervolgens kost het nog eens 100 milliseconden om de fonologie op te halen – de abstracte klankstructuur – en dan kost het ook nog eens 150 milliseconden om de fonetische structuur te berekenen, dus de concrete manier van uitspreken. Totaal 675 milliseconden. Pas gewapend met die kennis en zo’n theorie moet je de scanner in.”

En dàn blijkt dat die gebiedjes in de hersenen heel erg verspreid zitten.

“Ja, een groot deel van de hersenen houdt zich met taal bezig. En er kan sprake zijn van multifunctionaliteit: wordt hetzelfde hersengebied ook voor iets anders gebruikt? Dan kan je iets meer gaan zeggen over de vraag of het leren van een taal een taalspecifiek of een algemeen cognitief mechanisme is. Maar je kunt ook allerlei andere dingen gaan onderzoeken. De groei van een tweede taal in de hersenen bijvoorbeeld, vanaf het moment dat je die begint te verwerven. Dat zijn ze nu in Nijmegen aan het onderzoeken, hartstikke mooi. Het gaat ongeveer zo: eerst neemt zo’n tweede taal ergens een vrij groot gebied in beslag. Maar langzaam maar zeker wordt het alsmaar kleiner, dus beter gespecialiseerd, en komt het te liggen precies waar ook de eerste taal wordt gerund.”

Wat vindt u van dat eeuwige gezoek naar beesten die bepaalde abstracte processen beheersen die cruciaal zijn voor het menselijk taalvermogen?

“Dat kun je tenminste experimenteel onderzoeken. Dat is mooi. Moet je vooral doen. Het is op zichzelf geen slecht idee om te zeggen: elke functie bij elk beest is ontstaan uit iets anders wat er daarvoor was. Alles wat wij in ons hoofd hebben is natuurlijk volstrekt archaïsch, dat heeft allerlei andere functies gehad. Ik vind het nog steeds een wonder dat wij met die archaïsche troep in onze bollen zo’n ingewikkelde maatschappij zo’n beetje overeind weten te houden.

Mensen denken vaak dat ze in taal denken.

“Ja, een bekend misverstand. Dat is natuurlijk helemaal niet waar. Als ik muziek maak, zit ik me kapot te denken zonder dat er taal aan te pas komt. En als ik autorij in de stad ook.”

Wat gebeurt er als je ‘tegen jezelf praat’? Is dat een soort bijproduct van het denken?

“We weten er wel iets van langzamerhand. Die ‘inner speech’ is altijd enigszins aanwezig. Het is eigenlijk niet veel anders dan de geactiveerde fonologische vorm van de uiting die op dat moment geproduceerd zou kunnen worden: de abstracte klankstructuur, zonder fonetiek, dus zonder de concrete uitspraak. Die abstracte vormen worden geactiveerd. Het is ook wat afgeknot. Het zijn uitingen die niet helemaal worden afgemaakt. Beginstukken van uitingen. Het is de reflectie van het dan beschikbare eindproduct van de generatie van uitingen. Het taalapparaat wordt nu eenmaal heel snel actief. Het is eigenlijk altijd actief.

„Inner speech is trouwens ook een heel kritische eigenschap van het denken, in die zin dat je met inner speech het probleem hebt van de attributie. Dus: wie heeft daar gepraat eigenlijk? Een normaal mens weet dat hij dat zelf heeft geproduceerd. Maar de schizofreen denkt dat iemand anders dat produceert. Die hoort dus ‘stemmen’. Maar dat is gewoon zijn eigen inner speech. Dat is allemaal mooi in scanners aangetoond.

“Het grappige, maar ook treurige, is dat Chomsky in zijn laatste grote werk heel veel waarde toekent aan die inner speech. Daar kun je lezen dat in ieder geval één ding duidelijk is: taal is er niet voor communicatie. Ja, dat staat er gewoon. Taal kan wel eens handig zijn om te gebruiken bij communicatie, maar je communiceert net zoveel non-verbaal met je kleding of met je blik. Dus wat is dan wel de ‘use of language’? Je gelooft het niet. Inner speech. Dat is de belangrijkste ‘use of language’.”

Heeft de taalwetenschap nut?

“Het belangrijkste nut is: dat we leren hoe we zelf in elkaar zitten. Dat is een cultureel nut. De mens is vanouds vreselijk geïnteresseerd in zichzelf. Zolang er geschreven is, is er over onszelf geschreven. Dat is ook goed. Tenminste, het wordt geloof ik door veel mensen toch beschouwd als één van de grote functies van de cultuur en van de geesteswetenschappen, om ons te vertellen wie we zijn en wat onze natuur is. Wij hebben overigens als Max Planck Instituut nooit de opdracht gehad om iets nuttigs te doen en we hebben dat nooit systematisch nagestreefd, maar: soms ben je nuttig, dat blijkt. Niets is zo praktisch als een goeie theorie.

“Eén voorbeeld. Wij hebben destijds, 15 jaar geleden, een theorie gemaakt over telegramstijl. In de taalkunde noemen we dat het elliptisch register. Dat register hebben we allemaal: we kunnen allemaal een telegram opstellen. Je kunt een grammatica maken die elliptische vormen produceert: van die korte zinnetjes in telegramstijl. Dat gaat volgens keurige regels en daar weten we van alles van. Toen we dat begrepen, dachten we: wacht even, mensen die lijden aan de afasie van Broca, die bekend staan om hun korte zinnetjes, doen die dat misschien? En als ze dat doen, waarom dan? Er was altijd beweerd dat ze niet anders konden, dat hun taalvermogen zo was aangetast dat er alleen nog maar korte zinnetjes uitkwamen. Wij ontdekten dat het om een ander probleem ging bij die afatici. Het gebruik van dat elliptische register was voor hen een handige manier om een ander probleem te omzeilen.

“We weten nu dat de activering van de lexicale elementen, als ze die ophalen, niet lang genoeg duurt om een complexe syntactische boom te maken. Wat moet je ze dus vertellen? Dat moet je ook helemaal niet proberen. Gebruik nou een register waar je alleen maar kleine boompjes mee maakt, dan is de activering net lang genoeg om dat voor elkaar te krijgen. En je kunt met een elliptisch register eigenlijk heel veel doen. Zeker in een vertrouwde omgeving, omdat de context het nodige aanvult. Dus voor de therapie van Broca-patiënten kun je gebruik maken van wat wij daar ontdekt hebben. Een hele mooie toepassing, vind ik.”

    • Berthold van Maris