Zoon van de ballroomdanskampioenen

‘Pakistan, dat ben ik’, luidt de boodschap van de memoires van president Pervez Musharraf. En dan mag de waarheid best wat geweld worden aangedaan.

Pervez Musharraf Foto AP generaal In this photo released by Pakistans Defense Ministry, Pakistan's President Gen. Pervez Musharraf, addresses during the launching ceremony of the first local built Agosta submarine at the southern port of Karachi, Pakistan on Thursday, Aug. 10, 2006. Pakistan's navy inducted its first locally built submarine in an effort to bolster its marine force, a spokesman said. (AP Photo/ Pakistan Ministry of Defense, HO) Associated Press

Pervez Musharraf: In the Line of Fire. A Memoir. Free Press, 352 blz. €22,50.

Op donderdag 25 december 2003 ramde een Suzuki bestelwagen de autocolonne van de Pakistaanse president Pervez Musharraf. De krachtige knal die volgde tilde de Mercedes van de president van de grond. Rook, afgerukte lichaamsdelen, brandende auto’s; de chaos was enorm. Musharraf trok zijn pistool en schreeuwde „Dabaa, dabaa” (Urdu voor ‘rijden, rijden’) tegen zijn chauffeur. Even later volgde opnieuw een reusachtige dreun en weer vloog de auto van Musharraf de lucht in.

Twee bestelwagens met explosieven waren op die bewuste dag in luttele seconden tijd op het presidentiële konvooi ingereden, in Rawalpindi, de tweelingstad van de Pakistaanse hoofdstad Islamabad. Het was de tweede moordaanslag op de Pakistaanse president in nog geen twee weken tijd. Veertien mensen kwamen om het leven bij de aanslag – Musharraf had echter opnieuw ongeschonden een aanslag overleefd.

In de proloog van zijn vorige week verschenen memoires, In the Line of Fire, A Memoir, beschrijft de Pakistaanse president hoe hij in zijn leven verschillende keren aan de dood is ontsnapt en op hardhandige wijze kennis heeft gemaakt met terrorisme in zijn land. Is dat misschien ook de reden dat Musharraf nu al, terwijl hij nog gewoon aan de macht is, zijn memoires publiceert? Angst voor een derde fatale aanslag? Of is de ijdele president en couppleger bang dat zijn rol in het huidige tijdsgewricht wellicht in de toekomst onderbelicht en onbegrepen zal blijven?

Sinds Pakistan in september 2001 zich – onder druk – heeft opgeworpen als een van de belangrijkste bondgenoten van de Verenigde Staten in de strijd tegen terrorisme, is de nieuwsgierigheid naar het land en zijn president ‘intens’, zo schrijft Musharraf. De memoires zijn dan ook niet alleen het levensverhaal van Musharraf maar ‘ook van Pakistan’. Het is alsof de schrijver daarmee zegt: ik, Pervez Musharraf, ben Pakistan.

Generaalsuniform

Grootspraak en boude beweringen zijn Musharraf niet vreemd. Hoe het Pakistan de komende jaren vergaat, is volgens zijn memoires, van belang voor de uitkomst van de internationale strijd tegen terrorisme. Het wel en wee van Pakistan zal uiteindelijk ook bepalend zijn voor de islam en het Westen. Zo ziet Musharraf, de generaal die via een coup in 1999 aan de macht kwam en zich in 2001 ook tot president liet benoemen, de huidige werkelijkheid. En wie anders is er beter geschikt de toekomst van Pakistan, en in het kielzog daarvan het Westen en de islam, in goede banen te leiden, dan de president in generaalsuniform zelf?

In eigen land groeit de kritiek op Musharraf echter gestaag en klinkt de roep om een terugkeer naar een volledige democratie steeds luider; sinds het ontstaan van Pakistan is het land voor de helft van de tijd geleid door generaals.

De persoonlijke levensherinneringen van Musharraf zijn vooral een lofzang op zijn eigen persoon en lezen als een pleidooi voor zijn bewind. In aparte hoofdstukken over economie, de sociale sector en emancipatie in Pakistan, prijst hij voortdurend zijn eigen beleid. Daarnaast komt Pakistans strijd tegen terrorisme uitgebreid aan bod. Pikante, onthullende en voor de Verenigde Staten soms pijnlijke details mijdt hij daarbij niet.

In 2002 maakt hij, in samenwerking met Amerikaanse inlichtingendiensten, jacht op leden van Al-Qaeda in Zuid-Waziristan, de Pakistaanse grensstreek met Afghanistan. Maar de beloofde Amerikaanse bijstand, in de vorm van materiaal en informatie, blijft echter uit, tot frustratie van Musharraf. Daardoor zou uiteindelijk een serie acties tegen Al-Qaeda mislukken. Onthutsend is ook zijn ontboezeming over het ontvangen door Pakistan van premies van miljoenen dollars van de CIA voor het uitleveren van terreurverdachten. Want officieel mogen er bij uitlevering van gezochte terroristen alleen beloningen worden gegeven aan premiejagers, niet aan landen.

De anekdotes over zijn jeugd zijn daarentegen bijna kinderachtig aandoenlijk. Zo kom je te weten dat zijn ouders, tijdens hun zevenjarige verblijf als diplomaten in Turkije, de eerste prijs voor ballroomdansen wonnen. Zijn moeder, Zarin, eindigde in die periode ook als eerste bij een wedstrijd typen onder ambassadepersoneel. En zelf was Musharraf razend populair onder de jongens in de buurt, uitzonderlijk goed in sport en net als zijn oudere broer Javed een kei in hoofdrekenen op de lagere school.

In the Line of Fire laat vooral zien dat Musharraf in hart en nieren nog altijd een militair is. Ondanks de grijze krijtstreeppakken die hij draagt op bezoek in het Westen, lijkt hij mentaal ver verwijderd van de verlichte staatsman die hij graag wil zijn – Musharraf spiegelt zichzelf graag aan Kemal Atatürk, de geestelijke vader van de Turkse staat.

Vrijheidsstrijders

In detail en met trots vertelt hij bijvoorbeeld hoe het Pakistaanse leger, onder zijn leiding, tijdens het Kargil-conflict in 1999 (in Indiaas Kashmir) opereerde. Pakistaanse militanten – door Musharraf steevast vrijheidsstrijders genoemd – waren destijds met behulp van Pakistaanse militairen het Indiase deel van Kashmir binnengedrongen. Dat militaire conflict met India bracht de twee buurlanden op het randje van een nucleaire oorlog, een pijnlijke en gevaarlijke affaire waarvoor Pakistan uiteindelijk als schuldige werd aangewezen door de internationale gemeenschap.

Tegelijkertijd wast Musharraf in geval van controversiële onderwerpen voortdurend zijn handen in onschuld. Zo was de militaire coup, waarmee hij aan de macht kwam, niet zijn idee, maar een gebeurtenis die ‘de natie zou hebben verlangd’. En van de illegale export van nucleaire geheimen naar Iran, Libië en Noord-Korea, door atoomgeleerde en Pakistaanse volksheld Abdul Qadeer Khan, zou hij als hoogste baas van het leger geen flauw benul hebben gehad. Zelfs zijn rol in Pakistans jarenlange steun aan de Talibaan probeert hij in zijn autobiografie te bagatelliseren.

Je vraagt je na het lezen af voor wie deze memoires zijn geschreven. Voor de Pakistanen, of voor een Westers, in het bijzonder Amerikaans, publiek (als hij het over voetbal heeft, gebruikt de auteur steeds weer de Amerikaanse term soccer)? Musharraf dankt zijn positie dezer dagen vooral aan de steun die hij krijgt van de Verenigde Staten (op militair en financieel gebied), terwijl zijn populariteit in eigen land tanend is. In zijn boek presenteert de president zich als de verlosser van Pakistan, maar de vraag is wie hem gelooft. De presidentsverkiezingen volgend jaar, waaraan hij als burger mee wil doen, zullen mogelijk het antwoord geven.

    • Philip de Wit