Leren door belijden

Van 'verstoten kind' tot belijdende kerk Tjaard Barnard

Tjaard Barnard: Van ‘verstoten kind’ tot belijdende kerk, De Remonstrantse Broederschap tussen 1850 en 1940. De Bataafsche Leeuw, 512 blz. € 29,–

De Remonstrantse Broederschap, een van de kleine, vrijzinnige kerkgenootschappen, heeft sinds juni dit jaar een nieuwe geloofsbelijdenis. In het algemeen hebben vrijzinnigen niets met in formuleringen gestolde geloofswaarheden, maar de broederschap is toch zoveel kerk, dat ze niet zonder wil. Daarmee markeert ze haar positie tussen religieuze orthodoxie en de moderne, godloze cultuur. Prof. Johan Goud, een van de opstellers van de belijdenis, zei daarover in deze krant: ‘In een algemeen klimaat van relativisme en scepticisme dringt zich de vraag op: wat bindt ons, wat kunnen we verantwoord zeggen? Dat hebben we nu onder woorden gebracht.’ Hij benadrukte dat niemand verplicht is het met die tekst eens te zijn. Ook dat is remonstrants.

De Remonstrantse Broederschap werd in 1619 opgericht uit protest tegen de calvinistische leerstelligheid van de officiële kerk. In 1630 bouwde ze haar eerste kerk, de huidige Rode Hoed in Amsterdam. Tjaard Barnard, remonstrants predikant te Rotterdam, heeft nu de geschiedenis van de Broederschap tussen 1850 en 1940 te boek gesteld. Een van de interessantste periodes, omdat het genootschap toen twee ingrijpende veranderingen doormaakte. Na 1850 werd de Nederlandse Hervormde Kerk steeds orthodoxer, waardoor veel vrijzinnigen hun heil zochten bij de remonstranten. De broederschap veranderde in een tamelijk monolithisch, vrijzinnig genootschap, dat afstand nam van de hervormde kerk. Geloof in menselijke vooruitgang kenmerkte het vrijzinnig modernisme. Religieuze ceremoniën als doop en avondmaal werden gemarginaliseerd of verdwenen in sommige kerken.

In het begin van de 20ste eeuw volgde een reactie. Na WO I verdween het optimisme over de mens geheel. Men kreeg oog voor zijn zondige kant en voor de noodzaak van verlossing. In reactie op het dominante individualisme herleefde het gemeenschapsgevoel. Van een genootschap veranderde de broederschap in een echte kerk. Doop en avondmaal keerden terug, er kwam aandacht voor liturgie.

Barnard besteedt ook uitgebreid aandacht aan de positie van de vrouw, de zetel van het remonstrants seminarie, het begin van een vrijzinnige zuil (V.P.R.O., jeugdorganisaties) en tal van persoonlijke conflicten, wat het boek een encyclopedisch karakter geeft.