Katja's dagboek

Wat voorafging: Katja’s beste vriend, Sebastiaan, is ontvoerd in een warenhuis. Samen met Tjalling uit Friesland gaat zij hem proberen te redden. Dit schrijft ze in haar dagboek.

„Hier is het gebeurd”, zei ik en wees op een plastic ridderkasteel, dat op een groen kleed stond. De poort kwam tot onze knieën. „Hier, bij het kasteel van Grus… vreemde naam hè?”

Het was stil op de speelgoedafdeling in de kelder. Het was koopavond; er winkelden bijna alleen maar grote mensen. Tjalling keek kippig om zich heen, alsof hij nog nooit een warenhuis van binnen had gezien.

„Nee, hiér”, wees ik. Op dat moment kon ik niet verder praten. Ik zag iets liggen, vlak voor mijn voeten … Een paar haren. Witte. Haren van Sebastiaan!

Zou Tjalling gemerkt hebben dat ik bijna moest huilen? Ik hoop van niet. Het is beter om niet te huilen als andere mensen het kunnen zien. „Heeft jouw vriend wit haar”, vroeg Tjalling. „Wat vreemd.” Ik zakte door mijn knieën en plukte zonder iets te zeggen een voor een de haren van het kleed.

„Vet speelkasteel wel”, zei Tjalling toen ineens. „Die kantelen, dat ijzerbeslag… het lijkt wel echt, zowat. Je kunt er in, denk ik.”

„Nu nog niet”, zei ik. „Straks.”

Ik trok hem mee, weg van de onheilsplaats. De haren hield ik in mijn hand.

Tjalling liet zich door me meevoeren als een onwillige dikke hond.

„Er stond iets op die kasteeldeur”, mompelde hij. „Laten we nou nog even gaan kijken. Wat was het… Weet dat je alles achterlaat, als je hier naar binnen gaat, geloof ik. Wat zou dat betekenen?”

„Weet ik niet”, zei ik. „Ik zeg toch: straks.” Het was soms moeilijk om aardig te blijven tegen die oen die zo traag nadacht. „Je moet nu echt even je kop houden. En niet achterom kijken!”

Hij zweeg, geschrokken. Ik schrok ook, want ik zag op dat moment de vrouw van de kassa naar ons kijken. Zat mijn plaksnor los? Ik sprong op de roltrap, Tjalling volgde. Terwijl we naar boven gleden, wikkelde ik Sebastiaans haren in een zakdoekje en stopte het pakje in mijn tas.

Bovenaan de roltrap stond een bewaker!

„Opgepast”, siste ik. Ik trok Tjallings rugzak van zijn schouder en sjoelde die langs de voeten van de bewaker de gladde vloer op. De man dacht vast dat er een bom in zat: hij draafde er meteen achteraan. „Tjalling”, zei ik, „jou kennen ze niet. Ga je rugzak terugvragen. Zeg dat je hem liet vallen, zeg sorry, dat je er ook niets aan kunt doen, dat je van het platteland komt… Ik zie je op de beddenafdeling.”

Wonder boven wonder had Tjalling het begrepen; hij liep weg. Ik zigzagde tussen de kledingrekken door. Toen ik via het trappenhuis hijgend boven kwam – de beddenafdeling zat op de vijfde – stond hij daar al. Met zijn rugzak.

„Wat was dat nou?”, zei hij. „Waarom deed je dat nou?”

„Het was nodig”, zei ik kortaf. „En nu gaan we, even kijken, tweeëntwintig minuten onder dat bed daar liggen.”

(wordt vervolgd)

Heb jij ook een vriend die een beetje sloom is, of een vriendin die snauwt? Schrijf naar kinderpagina@nrc.nl