Gidsland aan het IJ

Dankzij de bloei van de ensemblecultuur verwierf Nederland in de vorige eeuw een unieke plaats in de wereld van de moderne muziek. Hoe staat het daar nu mee? En met het nieuwe muziekgebouw? „Componisten voelen zich weer thuis.”

Reinbert de Leeuw repeteert met het Schönberg Ensemble tijdens het Holland Festival 2003 foto Ruud Jonkers Jonkers, Ruud

‘Nederlandse musici spelen de sterren van de hemel, en ze zijn wereldberoemd”, zegt een opgewonden Jan Wolff aan de telefoon. „Maar ze worden in Nederland niet gehonoreerd in geld en structuur.” Wolff is directeur van het Amsterdamse Muziekgebouw aan ’t IJ, een architectonisch hoogstandje en een perfecte concertzaal, voorzien van de modernste snufjes, zoals een variabele akoestiek.

„Een zaal voor de ensembles”, noemde hij zijn geesteskind tijdens de opening. Maar zijn budget voor eigen programmering is slechts zes ton per jaar. „Als ik twee themaprojecten doe, ben ik het al bijna kwijt”, zegt hij. Nu ziet hij met lede ogen aan hoe het Muziekgebouw een geliefde locatie is geworden voor „jaarvergaderingen, presentaties, congressen, symposia, het afscheid van een wethouder. Zelfs de inburgering van de nieuwe Amsterdammers hebben we hier gehad! Het is toch nooit de bedoeling geweest dat we als Muziekgebouw daarvan rond moeten komen?”

Het Muziekgebouw had de kroon op een ontwikkeling moeten zijn. Vanaf de jaren zeventig ontstond in Nederland de internationaal vermaarde ensemblecultuur. Musici en componisten die ontevreden waren met de eenzijdige klank, de behoudende programmering en de autoritaire houding van de symfonieorkesten begonnen voor zichzelf. Door hun flexibiliteit, niveau en toewijding kregen ze al snel een reputatie, en een groeiend publiek. Het Schönberg Ensemble, Orkest De Volharding, Slagwerkgroep Den Haag, Ives Ensemble – en de opsomming is nog even voort te zetten. Bovendien worden aan de lopende band nieuwe ensembles opgericht die óók gehoord willen worden.

Het woord ‘ensemblecultuur’

, schrijft musicoloog Emile Wennekes in het onlangs verschenen boek Hedendaagse muziek in Nederland en Vlaanderen, werd op papier waarschijnlijk voor het eerst in 1991 gebruikt, in een nota van de ensembles voor het toenmalige ministerie van WVC. „Nergens ter wereld heeft de ensemblecultuur een zo vaste greep op het muziekleven kunnen krijgen”, schreven ze. En ook: „Hetgeen de laatste twintig jaar in Nederland aan vernieuwing op muziekgebied is ontstaan, kan voor het overgrote deel op rekening worden geschreven van de ensembles.” Ook toen was een zelfbewuste toon al noodzakelijk om de politiek te overtuigen van de kwaliteit, en van de noodzaak om deze te ondersteunen.

„Eigenlijk is de ensemblecultuur in 1906 uitgevonden”, vertelt dirigent Reinbert de Leeuw in zijn Amsterdamse woning. In dat jaar schreef componist Arnold Schönberg zijn Kammersymphonie, een werk ‘für 15 Soloinstrumente’. Geen orkestmuziek, geen kamermuziek in de traditionele zin van het woord, maar muziek voor een ensemble van vijftien solisten, met een voor het stuk unieke klank. „Die visionaire gedachte van Schönberg heeft een enorme invloed gehad op de muziek van de twintigste eeuw”, aldus De Leeuw.

In de jaren zestig bevocht hij als lid van de Notenkrakers een plek voor deze “niet-symfonische” muziek (van een ratel die op zijn salontafel rondslingert, zegt hij dat het géén relict uit die periode is). De Leeuw: „Veertig jaar geleden had je enerzijds de grote orkesten, anderzijds de strijkkwartetserie, pianorecitals enzovoort. Het aanbod is nu oneindig veel gevarieerder en levendiger dan toen, daar is geen twijfel over mogelijk. Dat is een beslissende ontwikkeling in het Nederlandse muziekleven geweest.”

Als de box met 22 cd’s en drie dvd’s waarop de hele geschiedenis van het Schönberg Ensemble aan de luisteraar voorbijtrekt ter sprake komt, begint De Leeuw te glimmen van trots. Hij heeft dagen zitten luisteren om het geheel samen te stellen. Behalve topuitvoeringen van werk van uiteenlopende componisten als Schönberg, Boulez en Ellington, is ook werk te horen van componisten met wie het ensemble in de loop der jaren een langdurige relatie opbouwde: Andriessen, Ligeti, Kagel. „Engagement”, zegt De Leeuw. „Niet één keer een leuk concert met iemand doen, maar er jaren mee werken. Je zijn taal helemaal eigen maken. Al die ensembles hebben er voor gezorgd dat componisten zich weer thuis voelen, dat er weer een vanzelfsprekende omgang met ze is. Dat was bij de grote orkesten een probleem geworden; componisten waren vaak ongelukkig.”

„In Engeland presteerden

zelfs gezelschappen voor eigentijdse muziek het om componisten openlijk vijandig te bejegenen als hun muziek ze niet aanstond”, mailt Robert Adlington, een Engelse musicoloog. Hij schreef in 2004 een boek over Louis Andriessens compositie De Staat (1976), dat een fascinerende ‘outsider’s view’ geeft op de ideologisch geladen periode waarin dit werk ontstond. Adlington: „Wat de Nederlandse ensembles van begin af aan onderscheidde, was de toewijding aan muziek die bij ons niet serieus genomen werd.”

Die toewijding wordt, aan de telefoon, ook geroemd door componist Michel van der Aa. Hij komt net terug van het Poolse festival Warschauer Herfst, waar onder meer Here [in circles] (2002) is uitgevoerd, een werk dat hij oorspronkelijk schreef voor het Asko Ensemble. Met Attach (2000) tekende Van der Aa voor de recentste compositie in de Schönberg Ensemble Edition. De afstand tussen Schönbergs onrustige, laat-romantische Kammersymphonie en het even rusteloze, maar zoveel postmodernere tikken en zappen in Attach toont de muzikale reikwijdte van het Schönberg Ensemble. Van der Aa: „Dat het Asko en Schönberg Ensemble geregeld mijn stukken hebben uitgevoerd, heeft me erg geholpen. Omdat we in Nederland zo’n caleidoscopisch palet aan ensembles hebben, kunnen componisten eerder ergens terecht met hun ideeën en is er ruimte voor experiment.”

Voor de nieuwste generatie musici is dit vanzelfsprekend, vertelt Saskia Lankhoorn, pianiste van het jonge ensemble Klang. Opgericht in 2003, gemiddelde leeftijd: 26. Zoals het een Nederlands ensemble betaamt, heeft Klang een unieke bezetting: twee saxofoons, trombone, slagwerk, basgitaar en piano – op de grens van klassiek ensemble en jazzband.

„Wij willen echt nieuwe muziek spelen”, zegt Lankhoorn, terwijl ze op de achtergrond haar baby probeert te sussen. „Muziek van jonge, aanstormende talenten, muziek die voor en met ons geschreven is. We spelen meestal ook wel een stuk van een bekende componist als Louis Andriessen of Jacob ter Veldhuis, want dat willen mensen ook horen.” Toch valt het Klang moeilijk een plek te veroveren in een verkaveld muzikaal landschap, waar iedereen naar dezelfde subsidies dingt. Lankhoorn: „Al die ‘oude’ ensembles zijn wel een voorbeeld, maar zij spelen ook overal. Wij moeten ons daar maar tussen zien te vestigen.”

Wat feller in zijn bewoordingen is Wilmar de Visser, contrabassist van het eveneens jonge Ensemble Caméléon. Dit strijkensemble speelt klassiek repertoire, maar werkt ook intensief samen met levende componisten. De Visser: „Er mag wel wat meer doorstroom komen. Het Schönberg Ensemble vind ik fantastisch, maar bij het Asko herhalen ze zichzelf teveel. Veel van die ‘oude’ ensembles zijn een soort kamerorkesten geworden. Er zijn nauwelijks jonge groepjes met een structurele subsidiering.” In het buitenland is het daardoor soms makkelijker om succes te hebben. „Daar is het geluid van de Haagse School vaak nog onbekend”, zegt Lankhoorn. „Toen we onlangs in Tsjechië een stuk van Martijn Padding speelden, was dat voor veel mensen een openbaring.”

Dat de Nederlandse ensembles vaak een bezetting en ‘sound’ hebben die in het buitenland onbekend is, kan ook een probleem zijn, stelt Emile Wennekes in zijn boek. Er ontstaat immers een repertoire met atypische instrumentale bezettingen, vaak met een hoge moeilijkheidsgraad. Zo wordt er volgens hem „een stevige barrière opgeworpen om uitvoeringen van Nederlandse composities buiten de landsgrenzen te realiseren.” Je hebt immers niet overal specialisten als Slagwerkgroep Den Haag of het Nieuw Ensemble.

Maar in het geval van Klang bevordert die uniciteit blijkbaar ook de ‘export’. Bovendien komen interessante componisten ervoor naar Nederland – velen blijven hier zelfs tijdelijk of permanent wonen, van Kurtág tot Kyriakides. Van der Aa: „Ik sprak in Polen een Italiaanse componist die dolgraag een keer een stuk voor De Volharding zou willen schrijven. Dat buitenlandse componisten hierheen komen, moeten we zo houden.”

Volgens Jan Wolff bestaat wel het gevaar dat de internationale concurrentie toeneemt. Wolff: „Er zijn overal ter wereld steeds meer ensembles die vergelijkbare dingen doen, met succes. In Nederland is men de boel aan het afbreken. Stukken die voor het Asko Ensemble zijn geschreven worden nu op internationale festivals door buitenlandse ensembles gespeeld. Dat lijkt me niet de goede weg.”

De Europese Unie hanteert

als norm dat een land één procent van zijn begroting aan cultuur uitgeeft. Nederland haalt dat lang niet. Wolff: „Voor zover ik weet heeft niet één van de grote politieke partijen een budgetverruiming voor cultuur in het programma.”

„Ik ken veel concertzalen op de wereld, maar het Muziekgebouw is in zijn soort de beste,” zegt Reinbert de Leeuw. „Die zaal moet iedere avond vol zitten. We zouden er met alle ensembles een fantastische plek van kunnen maken en nu is het daar het moment voor.”

Dat er voor al die ensembles en concerten ook voldoende publiek zou zijn, daaraan twijfelt De Leeuw geen moment. Hij verwijst naar Martijn Sanders, die er als directeur van het Concertgebouw voor zorgde dat dit de best bezochte concertzaal ter wereld werd. De Leeuw: „Aan hem werd ook gevraagd of er wel publiek was voor zoveel concerten. Ja dus! Je moet zorgen dat het idee ontstaat dat daar iedere avond iets bijzonders gebeurt. Dan komen er steeds meer mensen.” Een voorlopig bewijs hiervan zijn de bezoekersaantallen van de Proms-concerten, die sinds de verhuizing van Paradiso naar het Muziekgebouw zijn verdubbeld.

Maar Ensemble Caméléon, zegt Wilmar de Visser, redt zich prima zonder het Muziekgebouw. „Als jong ensemble kunnen we de huur niet betalen.” Dit voorjaar begon het ensemble daarom een serie ‘Lenteconcerten’ in Paradiso. „Een fantastische zaal, midden in de stad en met een geweldige akoestiek. Ik vind dat je overál in Amsterdam moet spelen.”

„Als ik in de Verenigde Staten had gewerkt”, zegt Van der Aa, „had ik minder uitvoeringen gehad en me minder snel kunnen ontwikkelen. Daar is meer polarisatie in het muziekleven: je wordt óf een academische campuscomponist, óf je gaat platgeslagen mainstream voor de orkesten componeren.” In Nederland is de componist stukken beter af, vindt hij: „Als ik componeer, laat ik me nooit inspireren door een specifiek ensemble. Ik wil de bezetting laten bepalen door het onderwerp. Dat kan hier. Juist die vrijheid en flexibiliteit die de Nederlandse ensemblecultuur kenmerken, zijn belangrijk voor mij.”

Emile Wennekes en Mark Delaere: Hedendaagse muziek in Nederland en Vlaanderen. Ons Erfdeel, 128 blz. Schönberg Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw. Schönberg Ensemble Edition (KTC 9000) (22 cd’s, 3 dvd’s)

    • Jochem Valkenburg