De mottenkist is nu eindelijk afgestoft

Als de sprankelende nieuwe vertaling van de volledige ‘Oorlog en vrede’ íets bewijst, dan is het dat je nooit genoegen moet nemen met een verkorte versie.

L.N. Tolstoj: Oorlog en vrede. Russische Bibliotheek delen 3 en 4. Vertaling Yolanda Bloemen en Marja Wiebes. G.A. van Oorschot, 1.606 blz. Tot 23 december € 69,– daarna € 85,–

Hoe vaak heb ik Tolstojs Oorlog en vrede gelezen? Vier of vijf keer, geloof ik. Het vuistdikke boek, in delen verschenen tussen 1867 en 1870, is een van de weinige romans die mijn leven hebben bepaald, omdat het me op jonge leeftijd in aanraking bracht met grootse literatuur, dramatische geschiedenis en zinderende romantiek. Maar ook omdat het over alles gaat wat menselijk is: twijfel, onzekerheid, arrogantie, daadkracht, grootheidswaan, behoudzucht, verlangen naar het nieuwe, grilligheid, onzinnige verliefdheid, domheid, achterbaksheid, hypocrisie, snobisme en achterlijkheid. Na mijn eerste bad in Oorlog en vrede was ik verslaafd aan de families Bezoechov, Rostov en Bolkonski, wier lotgevallen ten tijde van de Russische oorlogen met Napoleon aan het begin van de 19de eeuw de basis vormen van Tolstojs lofzang op het leven.

De dikke intellectueel graaf Pierre Bezoechov, die vol existentiële twijfels rondzwalkt en sterk aan Tolstoj doet denken, is nog altijd mijn grote held. Net als Levin, het eveneens op Tolstoj lijkende personage uit Anna Karenina , droomt hij van een beter, beschaafder Rusland, waarin het despotisme is afgeschaft. Maar naarmate Pierre ouder wordt, beseft hij dat de geschiedenis volgens zijn eigen grilligheid verloopt en niet te sturen is. Al zijn hoop is gevestigd op de vernieuwingsgezinde tsaar Alexander I, die in het boek als een dynamische, beeldschone halfgod wordt neergezet.

En dan is er Natasja Rostov, dat stralende, grillige meisje, bijna onafgebroken verliefd en geleid door de oerkrachten van het leven. Uiteindelijk trouwt ze met Pierre, die op een gegeven moment beseft dat hij al zolang hij haar kent van haar houdt. Maar of ze samen nu zo gelukkig zijn, weet ik tot op de dag van vandaag niet zeker. De passie is aan het eind van de roman opgelost, de oerkrachten die Natasja zo lang hebben opgestuwd zijn tot rust gekomen, een kibbelend echtpaar blijft over.

En vergeet vorst Andrej Bolkonski niet, bewonderaar van Napoleon, beste vriend van Pierre en ook al zo’n existentiële tobber. De manier waarop hij, na het verdampen van zijn ontembare eerzucht, tot inkeer komt, kan me nog altijd in tranen brengen. Eerst leefde Andrej alleen voor zichzelf, maar als hij, na de dood in de ogen te hebben gezien, besluit voor anderen te gaan leven en zich net als Pierre wil inzetten voor een betere wereld, ontdekt hij het ware geluk. Onvergetelijk is de korte scène waarin Andrej ’s avonds zwaargewond op het slagveld bij Austerlitz ligt en naar de hemel kijkt, die, zoals hij zelf zegt: ‘ik tot nu toe niet kende en die ik vandaag heb gezien.’ Je hele leven voorwaarts gericht op je carrière en dan ineens ontdekken dat er nog iets anders bestaat om van te genieten. In zulke korte beschrijvingen is Tolstoj groots.

Even later rekent de schrijver ook af met de grootheidswaan van Napoleon, als hij deze over hetzelfde slagveld laat dwalen. Als Tolstoj de Franse keizer bij het zien van al die jonge mannenlijken, die dankzij zijn oorlogszucht de dood in zijn gejaagd, laat zeggen ‘De beaux hommes!’ besef je ineens wat een megalomane klootzak hij eigenlijk is.

De eerste vertaling die ik las was de Engelse van Rosemary Edmonds, eind jaren vijftig verschenen in de Penguin Classics-reeks en eindeloos herdrukt. Edmonds’ vertaling is voortreffelijk en laat zien dat Tolstojs kracht mede ligt in het feit dat hij zonder enige pretentie schrijft, in een helder en vrij eenvoudig te vertalen Russisch.

Mijn tweede vertaling was de enigszins stroeve van H.R. de Vries uit 1966 in de befaamde Russische Bibliotheek van uitgeverij Van Oorschot. Leuk was wel dat er, anders dan bij Edmonds, Franse citaten in stonden, de taal waarin de Russische adel converseerde. Hierdoor kreeg je een nog scherper beeld van de Russische high society in de 19de eeuw, die vaak beter Frans sprak dan Russisch.

Vorig jaar verscheen de swingende vertaling van Peter Zeeman en Dieuwke Papma van de verkorte Oorlog en vrede, de ‘oerversie’ die in de 19de eeuw gedeeltelijk in afleveringen van Russische tijdschriften was verschenen, maar nooit als boek werd uitgebracht. In deze vertaling blijft Andrej Bolkonski leven, zijn de Franse citaten in het Nederlands vertaald en ontbreken de grote filosofische en historische verhandelingen die Tolstoj in zijn eigen eindversie had opgenomen. Curiosum of niet, deze uitgave is interessant om te lezen, vooral in vergelijking met de dikke editie. Je kunt er bijvoorbeeld uit opmaken hoe Tolstoj met sommige personages heeft geworsteld en waarom hij hun lot alsnog heeft omgegooid. Want in de oerversie komt Andrej er wel erg onnozel vanaf als hij door een granaatscherf in de borst wordt geraakt: ‘Dit is het dus echt... Het einde, zei hij bij zichzelf. Toch jammer. Wat nu? Er was nog iets, iets goeds. Wat vervelend nou, dacht hij.’ Kort door de bocht? Ja!

En nu is er dan een nieuwe vertaling van het volledige boek verschenen bij Van Oorschot. Voor het eerst is aan Oorlog en vrede recht gedaan, want wat het veelgelauwerde vertalersduo Yolanda Bloemen en Marja Wiebes heeft gepresteerd gaat alle verwachtingen te boven. Nu pas valt echt op hoe omslachtig de vertaling van H.R. de Vries is. Bovendien bevat deze prachteditie landkaarten van de slagvelden zodat je met de oorlogvoerende partijen geografisch mee kunt reizen, vertalingen van de Franse tekstgedeeltes, een lijst met dramatis personae, een uitgebreid naamsregister en een beschrijvende inhoudsopgave, waarin per hoofdstuk in twee zinnen de inhoud wordt weergegeven, zodat je altijd snel je favoriete passage kunt vinden. Ook is het een opluchting dat de Russische v eindelijk wordt getranscribeerd als een v en niet als een w, zoals in het Nederlands lange tijd gebruikelijk is geweest.

Maar het belangrijkste is toch vooral dat het Russisch zo goed en helder is vertaald. Het valt al meteen op bij de eerste bladzijde. Bij H.R. de Vries staat: ‘Zo sprak in de julimaand van het jaar 1805 de befaamde Anna Pawlowna Scherer, een hofdame uit de intieme kring van keizerin Marja Fjodorowna, bij het begroeten van vorst Wasili, een man van aanzien en hoge rang, de eerste bezoeker van haar soirée.’ Bij Bloemen en Wiebes staat nu: ‘Zo begroette in juli 1805 de befaamde Anna Pavlovna Scherer, hofdame en vertrouwelinge van tsarina Marja Fjodorovna, vorst Vasili, een belangrijk en invloedrijk man, die als eerste op haar soiree was gearriveerd.’ Hun vertaling is minder letterlijk dan die van De Vries en interpreteert wat er in het origineel staat. Met als resultaat een beter en soepeler lopende zin.

Of neem de zin die bij De Vries luidt: ‘Pierre wierp zijn mantel af en ging de voorkamer binnen, waar de resten van de maaltijd op tafel stonden en een lakei, in de veronderstelling, dat niemand hem kon zien, heimelijk de ongeledigde wijnglazen in zijn keelgat omkeerde.’ Bloemen en Wiebes: ‘Pierre trok zijn jas uit en ging de voorkamer binnen waar de restanten van het souper stonden, en waar een lakei, in de veronderstelling dat niemand hem zag, heimelijk de glazen leegdronk.’ Weer is De Vries te letterlijk, want er staat in het Russisch wel degelijk ‘ongeleegde’ glazen, maar dat woord heb je helemaal niet nodig als je wilt vertalen dat de glazen worden leeggedronken. En anders dan De Vries beweert, wordt er niets in een ‘keelgat’ omgekeerd. Het zijn dergelijke kleine verschillen die bij Bloemen en Wiebes voortdurend het eindresultaat ten goede komen, geheel volgens het adagium van Karel van het Reve, hun Leidse leermeester.

Prettig is ook dat in de nieuwe vertaling de door De Vries geschapen ‘woordraadseltjes’ worden opgelost. Zo wist ik nooit wat nu precies met de mottenkist werd bedoeld waarop in de grote hal van huize Rostov bedroefde meisjes altijd uithuilen. In het Russisch van Tolstoj staat er soendoek wat grote koffer of dekenkist betekent. Bloemen en Wiebes kiezen voor de meest waarschijnlijke vertaling. Een dekenkist zie je tenslotte zo in een adellijke hal staan, terwijl je een hutkoffer daar eerder op zolder vindt.

Als je Van Oorschots nieuwe vertaling uit hebt, besef je dat de verkorte uitgave een gebrekkige is. Want alles wat Tolstoj in Oorlog en vrede te berde brengt, doet ertoe. De historisch-filosofische verhandelingen zijn een mooie aanvulling op het denken van Pierre en Andrej en dus van Tolstoj zelf. Je zou Oorlog en vrede dan ook als één grote autobiografie kunnen lezen. En tegen de sterfscène van Andrej Bolkonski, waarin berusting in het naderende einde vecht tegen de levenswil bij de opwellende gedachte aan een geliefde, kan toch echt niets op. Zo schrijft Tolstoj over Andrejs sterfbed: ‘„Liefde? Wat is liefde? dacht hij. Liefde staat de dood in de weg. Liefde is het leven. Alles, alles wat ik begrijp, begrijp ik alleen omdat ik liefheb. Alles is, alles bestaat slechts omdat ik liefheb. Alles is alleen door de liefde verbonden. Liefde is God, en sterven betekent dat ik als deeltje van de liefde terugkeer tot de algehele en eeuwige bron.” Deze gedachten leken hem troostrijk. Maar het waren slechts gedachten. Er ontbrak iets aan, ze hadden iets eenzijdigs, persoonlijks, verstandelijks, er was geen duidelijkheid. En de onrust en onzekerheid bleven. Hij sliep in.’ In die ene alinea zit heel Tolstojs existentële denken gevat en met name zijn opvatting dat het menselijk leven niet door rede te sturen valt. Dankzij Yolanda Bloemen en Marja Wiebes is dat denken nu begrijpelijker dan ooit tevoren in overtuigend mooi Nederlands gevat.