Natievorming en zelfoverschatting

Of het nu Irak is, Afghanistan of het onbeduidende Oost-Timor – het gaat steeds mis. En misschien is dat niet eens zo bijzonder. Maar is vooral het optimisme bijzonder waarmee er iedere keer aan wordt begonnen. Nation building is sinds het einde van de Koude Oorlog mode. Van Somalië tot de Balkan, van Haïti tot het Midden-Oosten, overal zijn internationale organisaties en troepen in de weer om naties vorm te geven: de grote synthese tussen Ontwikkelingssamenwerking en Defensie wordt werkelijkheid. Militairen vinden dat prettig, want nu zijn ook zij er niet langer voor het vuile werk maar voor goede werken, voor opbouw of wederopbouw.

Behalve belastinggelden worden mensenlevens geriskeerd om falende staten overeind te helpen. Bovendien maakt het karakter van de missies dat de terugtocht niet zo gemakkelijk is. Als wederopbouw in een moeras wegzakt, ga je niet weg, je kunt mensen niet in de steek laten – nietwaar?

Het zuiden van Afghanistan produceert 92 procent van alle opium in de wereld, de grondstof voor heroïne, zo meldde het drugsbureau van de Verenigde Naties onlangs, een stijging van meer dan vijftig procent in vergelijking met vorig jaar. De VN-anti-drugs-chef stelde nogal klinisch vast: „Het zuidelijke deel van Afghanistan vertoont onheilspellende tekenen van een komende instorting, met grootschalige drugsteelt, opstand en terrorisme, misdaad en corruptie.”

Een tijdje geleden was ik op Oost-Timor, begin dit jaar nog het meest gevierde model van moderne nation building. Een ideaal oefenterrein voor natievorming-nieuwe-stijl. Alles is er volgens het moderne boekje door de Verenigde Naties en hun troepen gedaan tussen 1999 en 2005: democratische instituties, cursussen voor aanstaande rechters en parlementariërs, een grondwet, verkiezingen. Als je ronddwaalt in het oude paleis in Dili – het regeringsgebouw nu – merk je dat veel mensen niet twee maar vier Engelse woorden kennen: ‘Hello Mister’ en ‘good governance’. Bovendien hebben ze met Jose Ramos-Horta als premier een sympathieke vredesnobelprijswinnaar, een prikkelende intellectueel die het laatste boek van Coetzee beduimeld in zijn tas heeft zitten en met wie je in de wereld voor de dag kunt komen. „Een geweldig resultaat” noemde Wereldbank-chef Paul Wolfowitz begin april Oost-Timor als paradepaardje van nation building nog. En het was ook overzichtelijk met 1 miljoen inwoners, ruim 3 miljard euro ontwikkelingsgeld al gekregen en nog nieuwe inkomsten dankzij een gasvondst in het verschiet.

En toch: alles mislukt.

Australiërs hebben het land op een nette manier weer bezet om aan brandstichting en plundering een einde te maken en een verder bloedbad te voorkomen. Zelfs de drie lijfwachten van de premier zijn nu van Australische makelij. Alleen de vlag op het plein is eigen werk, maar zelfs dat was in de dagen dat ik er was al moeilijk genoeg, want als de portier zich versliep of zijn bromfiets kapot was, dan hing er geen vlag.

Ik sprak uitvoerig met Sukehiro Hasegawa. De Japanner is de baas van de VN-missie op Oost-Timor, een verstandig man, op het punt om met pensioen te gaan. Aan de muur foto’s van zijn voorganger, Sergio Vieira de Mello die bij nation building in Bagdad tragisch aan zijn einde is gekomen. Hasegawa heeft ervaring – hij zat eerder in Rwanda, in Somalië en Cambodja en die tref je allemaal op de lijst van falende staten aan.

Hasegawa ziet sinds het einde van de Koude Oorlog overal hetzelfde patroon. „Iedereen oefent druk uit om democratie in te voeren, dat eist het thuisfront van de lidstaten. En iedereen verlangt volgens het Handboek Democratie scheiding van kerk en staat, terwijl de kerk meestal het enige instituut is dat min of meer functioneert.

„En er zijn altijd twee groepen die strijden om de macht: de goed opgeleide ex-ballingen en de weinig mondaine vroegere rebellen. De ex-ballingen trekken in het begin meestal met de hulp van het buitenland aan het langste eind en vervolgens gaat het steevast mis.” Maar wie zou denken dat de ex-strijders een beter alternatief zijn, komt ook bedrogen uit: ex-strijders hebben geen idee hoe je een land runt zonder af en toe met een geweerschot je gelijk te halen.

Zijn conclusie is een beetje bureaucratisch: wie nation building serieus meent, moet vele, vele jaren in zo’n land-in-wording blijven. Of leren leven met beperkter ambities.

Staten zijn dingen die zo vanzelfsprekend zijn dat mensen nog weleens willen vergeten hoe ingewikkeld ze eigenlijk in elkaar zitten met eindeloos veel impliciete codes, en hoe lang het heeft geduurd voordat ze er waren. Zelfs de Verenigde Staten moesten een kleine honderd jaar na de geslaagde revolutie nog door de naar verhouding bloedigste oorlog aller tijden heen – de burgeroorlog – voordat ze hun orde hadden gevonden.

En zoals de socioloog Amitai Etzioni ooit zei en wat door alle nation builders zo vaak wordt verdrongen: „De meeste naties zijn ontstaan in verzet tégen buitenlandse mogendheden, niet met hun hulp”.

Meestal gaat het bij zulke opbouw-interventies dan ook mis – dertien van de laatste achttien keer dat Amerika het met grondtroepen heeft geprobeerd, aldus een recente studie van de New Yorkse Carnegie Foundation.

Betekent dit dat je het maar zou moeten laten?

Nee, om humanitaire of veiligheidsoverwegingen is interventie soms onvermijdelijk. Voor Australië is de subtiele kolonisatie annex nation building van Oost-Timor beter dan chaos en honderdduizenden vluchtelingen en bovendien delen ze het gas op zee met Timor. Ze weten waarvoor ze het doen.

Maar al te veel democratisch idealisme leidt tot verlies van realiteitszin, tot dominantie van de goede bedoelingen, tot onverantwoord hoge kosten (Irak 250 miljard dollar) en tot soldaten die zinloos sneuvelen.

    • Ben Knapen