Troost en heling vinden in een dorpje van niks

Philippe Claudel: Rivier van de vergetelheid. Uit het Frans vertaald door Manik Sarkar. De Bezige Bij, 144 blz. €15,–

Philippe Claudel: Rivier van de vergetelheid. Uit het Frans vertaald door Manik Sarkar. De Bezige Bij, 144 blz. €15,–Philippe Claudel kennen we als de meester van de grijstinten en als nauwkeurig observator van alle fasen die horen bij dood, rouw en verdriet. Verlies is zijn grote thema en steeds cirkelt zijn werk om afscheid nemen, herinnering en het doorleven van diepe dalen van eenzaamheid.Dat was in zijn debuutroman niet anders. Meuse l’oubli, uit 1999, een mooie, kleine roman, is nu vertaald onder de titel Rivier van vergetelheid. Uit die Nederlandse titel is de Maas verdwenen. Dat is jammer, omdat de titel nu lijkt te verwijzen naar een symbolische stroom waarin het heden onherroepelijk zal oplossen, terwijl het wel degelijk gaat om de grijze, troostende, helende Maas. De rivier loodst aken en mensen naar de oevers van het dorpje Feil, dat behalve uit vier cafés en een banketbakkerij, ook bestaat uit ‘drie kruideniers, een tabakswinkel, twee slagerijen en een winkel voor garen en band die ook visgerei verkoopt’. Een dorpje van niks dus, daar aan die machtige rivier, dat ook nog eens vele maanden van het jaar in grijze slierten nevel is gehuld. De Maas slokt wreed de zwemmende jongemannen op, laat lijken verdwijnen, maar vooral, schrijft Claudel, ‘smeedt de verkleumde rivier herinneringen zodat andere beter kunnen verdrinken.’ Dat is precies wat zijn hoofdpersoon komt doen in Feil, aan die sombere oevers die precies passen bij zijn gemoedstoestand. Zijn geliefde, de vrouw die hem als gestigmatiseerd, getraumatiseerd en verweesd ‘hoerenjoch’ ‘naar het licht heeft getild’ is, op veel te jonge leeftijd, gestorven. De weduwnaar ontvlucht Minelseen, Mechelen, de Ardennen en al die andere plekken waar een gelukkige herinnering aan kleeft om zich te begraven in het niets en te bezatten aan de togen van Feil. Vrienden vindt hij er, ieder met zijn eigen, onvertelde verhaal, een kamer en een hospita die bloedworst voor hem maakt.Net als in zijn latere roman J’abandonne (Zonder mij) laat Claudel zijn verteller dwalen door een labyrint van wanhoop, hij laat hem tieren, huilen, drinken, schrijven en zich wentelen in herinnering. Dat begint met klankvol, associërend, ongewoon en beeldend taalgebruik, waar de vertaler overduidelijk moeite mee heeft gehad (‘toiletpoeder vermengd met de scherpe geur van een vonkenregen, als het hoefijzer van een paard wanneer zijn galop de granieten ondergrond laat afschilferen’). Tegen het einde van de roman trekt de nevel, in letterlijke en figuurlijke zin, wat op, kalmeert Claudels hoofdpersoon en daarmee zijn taal. De tijd heeft het verdriet verzacht, de herinnering blijft, nieuwe herinneringen verdringen de oude. Ergens kondigt zich een nieuwe belofte aan, een nieuwe vervoering.Margot DijkgraafRivier van de vergetelheid.

Uit het Frans vertaald door Manik Sarkar. De Bezige Bij, 144 blz. €15,–

Philippe Claudel kennen we als de meester van de grijstinten en als nauwkeurig observator van alle fasen die horen bij dood, rouw en verdriet. Verlies is zijn grote thema en steeds cirkelt zijn werk om afscheid nemen, herinnering en het doorleven van diepe dalen van eenzaamheid.

Dat was in zijn debuutroman niet anders. Meuse l’oubli, uit 1999, een mooie, kleine roman, is nu vertaald onder de titel Rivier van vergetelheid. Uit die Nederlandse titel is de Maas verdwenen. Dat is jammer, omdat de titel nu lijkt te verwijzen naar een symbolische stroom waarin het heden onherroepelijk zal oplossen, terwijl het wel degelijk gaat om de grijze, troostende, helende Maas.

De rivier loodst aken en mensen naar de oevers van het dorpje Feil, dat behalve uit vier cafés en een banketbakkerij, ook bestaat uit ‘drie kruideniers, een tabakswinkel, twee slagerijen en een winkel voor garen en band die ook visgerei verkoopt’. Een dorpje van niks dus, daar aan die machtige rivier, dat ook nog eens vele maanden van het jaar in grijze slierten nevel is gehuld. De Maas slokt wreed de zwemmende jongemannen op, laat lijken verdwijnen, maar vooral, schrijft Claudel, ‘smeedt de verkleumde rivier herinneringen zodat andere beter kunnen verdrinken.’

Dat is precies wat zijn hoofdpersoon komt doen in Feil, aan die sombere oevers die precies passen bij zijn gemoedstoestand. Zijn geliefde, de vrouw die hem als gestigmatiseerd, getraumatiseerd en verweesd ‘hoerenjoch’ ‘naar het licht heeft getild’ is, op veel te jonge leeftijd, gestorven. De weduwnaar ontvlucht Minelseen, Mechelen, de Ardennen en al die andere plekken waar een gelukkige herinnering aan kleeft om zich te begraven in het niets en te bezatten aan de togen van Feil. Vrienden vindt hij er, ieder met zijn eigen, onvertelde verhaal, een kamer en een hospita die bloedworst voor hem maakt.

Net als in zijn latere roman J’abandonne (Zonder mij) laat Claudel zijn verteller dwalen door een labyrint van wanhoop, hij laat hem tieren, huilen, drinken, schrijven en zich wentelen in herinnering. Dat begint met klankvol, associërend, ongewoon en beeldend taalgebruik, waar de vertaler overduidelijk moeite mee heeft gehad (‘toiletpoeder vermengd met de scherpe geur van een vonkenregen, als het hoefijzer van een paard wanneer zijn galop de granieten ondergrond laat afschilferen’).

Tegen het einde van de roman trekt de nevel, in letterlijke en figuurlijke zin, wat op, kalmeert Claudels hoofdpersoon en daarmee zijn taal. De tijd heeft het verdriet verzacht, de herinnering blijft, nieuwe herinneringen verdringen de oude. Ergens kondigt zich een nieuwe belofte aan, een nieuwe vervoering.

Margot Dijkgraaf

    • Margot Dijkgraaf