Het geluid klinkt als een schorre Gooise peuter die zit te kakken

Het academisch jaar is nu een maand bezig. Alle meisjes die bij het corps zijn gegaan, hebben een maand aan hun corpsaccent kunnen werken. Ze zijn flink aan het oefenen. In cafés, bij de tramhalte. Overal hoor je hard en doordringend het geluid dat klinkt als een schorre Gooise peuter die zit te kakken, maar geconstipeerd is. Hoog, hees en persend.

Zoals het meisje dat gisteren in de trein van Leiden naar Amsterdam de hele wagon liet meeluisteren met haar pas aangeleerde accent. Ze voerde een lang telefoongesprek met een ouderejaarsstudente bij wie ze logeerde, en wier matrasje zij bevuild had. Een korte impressie:

‘Ooo, het gebeurt echt niet meer Pip. Ooo, dat van dat matgasjuh is echt heel kut. ECHT? Echt, sirjeus... Dat is echt HEEUW a-gielekst. Misschien koop ik morgen een eigen matgasjuh. Dat lijkt me echt té chill. En dat van die handdoeken... Soggie hoorrr. Echt soggie. Echt heeuw a-gielekst voorrr je. Hee maar Pip? Ik zit nu in pgincipe met Kimo in de tgein? Dus ik kan niet zo lang pgatuh? Okeej... Dus je gaat naar Gorrrrkum morrrgen? Chill.’

Ze klapt haar telefoon dicht, maar hij rinkelt alweer.

‘Hai Belle! Vind je het echt zo kut? Hoe vaak ben je naar college geweest? Djiezus. Dus je wil van eco naar rechtuh? O, het zou echt té leuk zijn als jij ook rechtuh ging doen. Ik vind het echt té raar dat niemand van ons rechtuh doet. Ja, pgecies! Pgecies. Chill. Succes Bel! Echt té gezellig.’

Ze is steeds harder gaan schreeuwen, meegesleept door haar eigen nieuwe accent. Ze moet zich zo inspannen om het vol te houden, dat ze niet doorheeft dat iedereen in de wagon naar haar luistert. Af en toe doet iemand haar zelfs na. Een man zegt:‘Gorrrrkum.’ Zijn vriendin zegt: ‘PgeCIES!’ Het meisje merkt niets.

De vrouwen tegenover mij krijgen de slappe lach. ‘Ik ga een stukje over haar schrijven,’ roep ik ze toe, vrij hard, om boven het meisje uit te komen. ‘O!’ roepen de vrouwen, ‘In welke krant?’ Ik geef de nodige informatie. Het meisje praat door: ‘Dus Sanne en ik tánken, tánken, tánken. JA! PgeCIES!’

Bij het uitstappen zie ik haar pas. Blond, in een lamswollen grijze trui. En, dat kan ik niet zien, maar dat weet ik, met een reusachtige poliep op haar stembanden.

Aaf Brandt Corstius

Lees alle columns van Aaf op www.nrc.nl/aaf