De vrede in Atjeh werkt wonderwel

In Atjeh voeren de voormalige GAM-rebellen dezer dagen netjes campagne voor de verkiezingen. De Europese missie die heeft bemiddeld is tevreden, maar spreekt zich niet uit over de ingevoerde shari’a.

Het is hier het Midden-Oosten niet. Bovendien is het goed nieuws, dus niet zo geschikt voor dagelijkse krantenkoppen. Maar het is ondertussen toch een klein wonder dat bijna dertig jaar van opstand en guerrilla in Atjeh bijna rimpelloos lijken over te gaan in een toestand waar iedereen in grote lijnen vrede mee heeft. Het maakt dat de Indonesische president Yudhoyono serieus kandidaat is voor de Nobelprijs voor de vrede, volgende week, en het heeft van EU-diplomaat Pieter Feith een gevierd en veelgeprezen man gemaakt in Indonesië.

Als hoofd van een EU-Asean missie van 235 man heeft deze vroegere Nederlandse diplomaat ex-guerrillastrijders ontwapend, incidenten gesmoord, de Indonesische regering en de vroegere verzetsbeweging in voortdurend overleg bij de les gehouden en zo het pad geëffend voor de eerste vrije verkiezingen in Atjeh. De koffers van de missie kunnen geleidelijk aan worden gepakt, in december trekt ook Feith de deur achter zich dicht – wegens succes overbodig geworden.

Begonnen was het met de tsunami. Die forceerde de doorbraak om onder leiding van de Finse ex-president Ahtisaari een akkoord te kunnen sluiten tussen de Indonesische regering en de onafhankelijkheidsbeweging GAM. De strekking van het akkoord: Atjeh krijgt een grote mate van autonomie, maar onafhankelijk wordt het niet. In augustus vorig jaar nam de Europese Unie de politieke verantwoordelijkheid op zich om de uitvoering van dit akkoord te begeleiden. „De Europese Unie wilde na al die tegenslagen met de Grondwet weleens iets positiefs laten zien”, aldus Feith, waarna hij – in dienst van het secretariaat van buitenlandcoördinator Solana – kon afreizen.

Op 12 december zijn de verkiezingen. Dan zijn de inwoners van Atjeh zelf verantwoordelijk, drie dagen later is de missie officieel beëindigd. Feith: „Je moet ook niet te lang blijven. Dat willen ze altijd overal maar dan neemt niemand zelf verantwoordelijkheid.”

Hier en daar wringt de schoen nog. De GAM-leiders willen dat ze vetorecht krijgen over beslissingen van nationale reikwijdte. Als Indonesië bijvoorbeeld nog eens de benzineprijzen verhoogt, willen ze in Atjeh nee kunnen zeggen. Hun bevalt ook niet dat het Indonesische leger zo prominent aanwezig blijft, niet alleen om het land te verdedigen, maar ook om in geval van nood de binnenlandse veiligheid te waarborgen. Het gehate leger toch weer als mogelijke handhaver van gezag en orde – dat riekt nog wat te veel naar een bezettingsmacht.

Maar ondanks dit type gemor gaat een nieuw Atjeh van start en zijn 3.000 oud-guerrillastrijders bezig om een vak te leren. En de GAM-leiders zelf leren affiches plakken en campagne voeren. Dat is ingewikkeld genoeg voor een voormalige bevrijdingsbeweging, met mensen die soms decennia lang in ballingschap in Zweden hebben gewoond, of anders ergens in de bossen, vertrouwd vooral met het avontuurlijke gelijk van het geweer en niet met de compromissen van een alledaags bestaan.

Yusuf Irwandi is een serieuze kanshebber om de verkiezingen te winnen en de eerste gouverneur van het nieuwe Atjeh te worden. Hij zat in het verzet in de jungle en is toch een man van de wereld. Hij zat ook achter de tralies en waarschijnlijk ontsnapte niemand ter wereld zo bijzonder als hij: gewoon in de ochtend van 26 december 2004 de gevangenis uitgespoeld door de tsunami.

Vorige week heeft Irwandi koran-examen moeten afleggen. Dat moet iedere kandidaat. Je moet dan de teksten in Arabisch schrift kunnen lezen voor een college van imams, alles openbaar. Irwandi, oorspronkelijk dierenarts van beroep, ging het gemakkelijk af: „Ieder kind dat hier een beetje is opgevoed, kan zoiets. De vijf kandidaten die zijn gezakt, dat is een aanfluiting voor hen.” Irwandi heeft verder niet zoveel moeite met zo’n examen. De shari’a-regels in Atjeh daarentegen bevallen hem minder: „Dat was een cadeau van de centrale overheid in Jakarta, waar wij niet om hadden gevraagd.”

Jakarta had vijf jaar geleden gedacht daarmee de inwoners van Atjeh zoet te houden en de opstandelingen de wind uit de zeilen te nemen. Irwandi realiseert zich dat het inmiddels een eigen leven is gaan leiden en een gevoelig onderwerp is maar uit al zijn woorden blijkt dat de vroegere verzetsbeweging straks, als ze het voor het zeggen zou krijgen, grenzen wil stellen. „Shari’a is meer voor onderwijs en opvoeding dan voor het strafrecht of stokslagen.”

Ook de EU-missie heeft zich bij dit onderwerp afzijdig gehouden. Feith stelt zich op het standpunt dat zijn mandaat hier niet over ging: „Wij moesten de naleving van het akkoord waarborgen en in dat akkoord staat er niets over, het is aan de mensen zelf hier om dat te beslissen.”

Voor Indonesië begint met de verkiezingen in Atjeh een hachelijk experiment. Het land is sinds de onafhankelijkheid een eenheidsstaat maar kan die eenheid in deze democratische tijden minder gemakkelijk met harde hand afdwingen. Ontbinding van het eilandenrijk ligt op de loer maar dit zou voor het dichtbevolkte Java een onaanvaardbare uitkomst zijn, want het heeft zelf weinig grondstoffen en het zou van dominante factor tot armenhuis van de regio vervallen. De autonomie voor Atjeh is derhalve een experiment in beheerste devolutie, bij gebleken succes de moeite van het navolgen waard. Ook al zeggen president en vice-president in het openbaar bij wijze van bezwering steeds dat Atjeh een geval apart is.

Voorlopig werkt het wonderwel. Irwandi klaagt weliswaar net als zijn vroegere strijdmakkers bij elke gelegenheid dat het leger „hier veel te dominant aanwezig blijft”, maar gevraagd of hij de uiterste consequentie zou durven trekken – weer terug met wapens de jungle in – is hij ondubbelzinnig: „De vrede hier blijft, niemand wil dat nog verpesten.”

En dus kan Feith zijn koffers pakken, dit keer aangevuld met een hoge Indonesische onderscheiding en veel feestelijk dankbetoon.

Indonesiërs leggen niet op elke slak zout. Zo hangt in het paleis van de gouverneur van Atjeh een portret van generaal Van Heutz. Hoewel er iets te zeggen zou zijn voor de redenering dat Van Heutz met zijn optreden daar een eeuw geleden zijn rechten voor de eregalerij heeft verspeeld. Desalniettemin is er in Atjeh de laatste zestig jaar nooit meer iets naar een Nederlander vernoemd, geen huis, geen plein, geen steeg. Feith zou weer de eerste kunnen worden – ze zeggen daar in elk geval dat “Mister Pieter” goede papieren heeft.

    • Ben Knapen