‘Geen hilariteit zonder ernst’

Geestige dialogen zijn het handelsmerk van kinderboekenschrijver Peter van Gestel. Vandaag krijgt hij de Theo Thijssenprijs voor kinder- en jeugdliteratuur. Van Gestel: „Ik schrijf alleen als ik zin heb, dan lukt het.”

Omslag Die dag aan zee, jeugdboek van Peter van Gestel
Omslag Die dag aan zee, jeugdboek van Peter van Gestel

Natuurlijk is het onzin om objecten de schuld te geven van misdaden die in hun aanwezigheid zijn begaan. Maar bij de Amsterdamse Den Texstraat – een stille straat niet ver van de Nederlandse Bank – is er nauwelijks aan te ontkomen sinds Winterijs (2001). In deze jeugdroman van Peter van Gestel duiken beelden van de straat steeds weer op, steeds onheilspellender en geladen met een gruwelijk geheim: hier zijn in de oorlog joden uit hun huizen gehaald.

Is de Den Texstraat een schuldige straat? „Ja en nee”, zegt de schrijver Peter van Gestel. „Natuurlijk is alle schuld die je er voelt een projectie van degene die weet wat er is gebeurd. Maar toch, ik krijg nu nog een onbehaaglijk gevoel als ik in die doodstille straat ben. Ik heb dat ook in de Plantagebuurt, waar voor de oorlog veel joden woonden. Die buurt staat vol mooie huizen maar voelt heel leeg.”

Peter van Gestel (1937) krijgt vandaag de Theo Thijssenprijs, de ‘P.C. Hooftprijs voor kinder- en jeugdliteratuur’, waarmee eens in de drie jaar een oeuvre wordt bekroond. De kinder- en jeugdboeken die Van Gestel in een kwart eeuw heeft geschreven zijn zeer gevarieerd. Van de lotgevallen van een onhandige puber in Ko Kruier (1985) tot de avonturen van enkele huisdieren in Rommelkatje (2006). Van Mariken (1997 ), een fantasie over het ontstaan van de middeleeuwse Mariken-legende, tot Nikki (2005), over een eigentijds meisje dat auditie doet voor een film.

De kwaliteiten van de schrijver Van Gestel komen samen in het beurtelings lichtvoetige en loodzware Winterijs. In dit boek sluit de 10-jarige Thomas tijdens de lange en koude winter van 1947 vriendschap met zijn joodse klasgenoot Piet Zwaan en diens 13-jarige nicht Bet. Terwijl de vriendschap opbloeit tot een onbenoemde liefde, ontdekt Thomas langzaam het gruwelijke lot van de familie van Piet en Bet. Dat lot wordt vooral zichtbaar in de (herinnerde) ‘camerabeelden’ van de Den Texstraat, terwijl de vriendschap wordt verwoord met Kees de Jongen-achtige mijmeringen en met uiterst geestige dialogen, die gelden als het handelsmerk van Van Gestel.

Winterijs is bekroond met een Gouden Griffel en is nu al een klassieke jeugdroman. Is het ook het belangrijkste boek van Van Gestel?

„Moeilijk te zeggen”, vindt Van Gestel. Dat is typerend voor hem. Ondanks zijn leeftijd en lange loopbaan – hij begon vijfenveertig jaar geleden al met het schrijven voor volwassenen – heeft hij niets van een gearriveerde schrijver die in volzinnen zijn eigen oeuvre duidt. Van Gestel is een jongen met een grijze kuif, die bij de beantwoording van een vraag omlaag kijkt naar het kleine tafeltje in zijn werkkamer – hij kijkt alleen op voor een lach, een inval of een zijsprong: „Je zegt toch wel jij?!”

De onverschilligheid van de gojim voor het lot van de joodse Nederlanders werd pas een jaar of tien terug een maatschappelijk thema.

„Ik wilde graag de naoorlogse sfeer tekenen in de beschrijving van de winter van 1947, die ik me goed kon herinneren. Aanvankelijk zat in het verhaal alleen een joodse jongen die even in de klas wat kwam zeggen, maar hij is tijdens het schrijven uitgegroeid tot een hoofdpersoon. Zijn verhaal is voor een deel dat van een joodse vriend van mijn broer, Daniel K. Danny is met zijn familie in 1942 weggehaald en in 1944 in Auschwitz vermoord. Hij heeft nog een ansichtkaart gestuurd uit Westerbork, waarin hij een beetje trots schrijft dat hij ordonnans is geworden voor een Duitser. Een foto van Danny stond in onze huiskamer.”

Dus anders dan Thomas wist jij wel degelijk iets van het lot van de joden.”

„Ja, mijn eigen familie is deels joods, onder meer via mijn halfjoodse vader. We hadden enkele joodse familieleden en vrienden. Ik heb me voor dit boek opgesplitst in de helemaal niet-joodse Thomas en de joodse Zwaan. Thomas staat voor de vele Nederlanders die van niets wisten. Er zijn nu trouwens nog altijd erg veel vragen over de oorlogsjaren. Er is ook niet echt de wil om dingen tot op de bodem uit te zoeken, zoals de rol van de politie in de oorlog. Die dingen zijn nog altijd niet echt voorbij.”

Mooie dingen gaan wel voorbij. In een sleutelscène zitten Thomas, Zwaan en Bet in een bed. Thomas geniet, maar is dan al bang dat het niet duren zal.

„Dit is mijn favoriete scène. Natuurlijk kun je je afvragen of een tienjarige al in staat is om zoiets te denken, maar wat ik verwoord is in feite geen gedachte maar een gevoel: geluk én de angst dat het voorbij gaat.

„Dergelijke dramatische scènes gaan meestal redelijk vlot. Veel meer tijd ben ik kwijt aan de verbindende scènes. Ik weet niet of ik makkelijk schrijf of moeizaam. Ik schrijf eigenlijk alleen als ik er zin in heb; dan gaat het altijd wel.”

Voor ‘Ko Kruier’ moest je toch elke week een stukje inleveren bij ‘Het Parool’?

„Ja, dat is zo. Soms ging ik aan mijn bureau zitten, terwijl ik nog geen idee had van wat ik zou opschrijven. Ik heb uiteindelijk 250 stukjes gemaakt. Daarbij ben ik ook wel geholpen door mijn eigen kinderen. Mijn zoon is een keer in pyjama naar school gegaan, expres, voor de grap. Dat heb ik gebruikt voor de lichtelijk onnozele Ko, die pas op school ontdekt dat hij vergeten is zich aan te kleden.”

‘Winterijs’ is erg filmisch, door de ‘camerabeelden’ en de dialogen. Er is ooit een voorstel geweest het te verfilmen?

„Ja, twee keer zelfs, maar dat is niet doorgegaan. Ik zag ook wel wat op tegen een film, omdat het heel lastig is om twee jongetjes samen goed te laten acteren. Als een jonge jongen goed speelt in een film – zoals in The Kid (Chaplin, 1921) of Fietsendieven (De Sica, 1948) – dan is het doorgaans in samenspel met een volwassene die hem optrekt.”

Heb je vaker films in gedachten als je schrijft?

„Ja, Nikki was bedoeld als een Woody Allen voor kinderen. Daar zit veel slapstick in. Het wordt aardig verkocht, maar het is wisselend besproken: te slapstickachtig, denk ik. Waarschijnlijk is het beter om de hilariteit een beetje te mengen met ernst, zoals in Winterijs. Mijn boek Die dag aan zee (2003) heeft weer erg weinig lichte momenten.”

Een meisje vertelt over de verdrinkingsdood van haar broer. Bergman voor kinderen?

„Strindberg voor kinderen, dacht ik zelf. In een boek heb ik weleens gestreefd naar het theater-ideaal van eenheid van tijd, plaats en handeling. Maar dat is niet mogelijk. Waar je bij toneel scènewisselingen hebt op het podium, moet je in literatuur pauzes inlassen. Nikki speelt op één dag, maar op verschillende plaatsen. Die dag aan zee speelt bij zee, maar is uitgesmeerd over een langere tijdsperiode. Het boek is toch erg compact geworden.

„Het is trouwens gebaseerd op een autobiografisch gegeven: mijn vijf jaar oudere broer stierf op zijn vierentwintigste. Van mezelf heb ik voor het boek een meisje gemaakt, van mijn broer iemand die gek was op zijn zusje. Dat laatste is een vorm van compensatie: in werkelijkheid was mijn broer niet gek op mij. Hij heeft nooit wat aan mij gehad, denk ik. Het leeftijdsverschil van vijf jaar was daarvoor te groot.”

Het gesprek gaat door over Van Gestels liefde voor de film, waarvan de vele dvd’s in zijn kast getuigen. Van Gestel heeft scenario’s geschreven, onder meer voor de verfilming van een boek van Willem Wilmink. Toch had hij niet meer met film willen doen, zegt hij: „Eindeloos praten, veel concessies doen.” Het enige boek van Van Gestel dat is verfilmd is Mariken, dat grappig genoeg nogal wat observaties bevat over theater. Mariken groeit op met een kluizenaar, trekt dan onbevangen de wereld in en sluit zich aan bij een groep theatermakers.

Mariken weet niet hoe de wereld werkt en houdt die zo een spiegel voor. Als Voltaire’s Candide?

„Zeker, goed boek is dat trouwens, nog altijd heel fris en modern. Voor mij is Mariken ook Natascha Kampusch. Ook zij is jaren afgesloten geweest van de wereld. Hoe zal ze de wereld nu waarnemen? Ik zou zo graag weten wat haar opvalt, waarover ze zich verbaast. Overigens, toen ik het verhaal net had gehoord, ging de fantasie met me op de loop. Dat eigenlijk Natascha die Priklopil had ontvoerd en dat hij nu was ontsnapt en aan zijn eind kwam onder de trein.”

Een boek?

„Nee, beslist niet, ook niet voor volwassenen. Uiteindelijk kan ik niet schrijven over zo’n klein meisje dat jaren lang wordt vastgehouden door een psychopaat. Het is te gruwelijk. Dat jarenlange afgesneden zijn van de wereld is natuurlijk in het verleden wel beschreven, zoals het geval Kaspar Hauser die een groot deel van zijn jeugd had geleefd in een donkere cel.”

Als zo’n ‘wolfskind’ leert spreken is het altijd fragmentarisch, toch?

„Is dat zo? Maar dat is net als in mijn boek Oef van de mensen.” Hij staat op om het boek te pakken. „Kijk, hierin heb ik het Tarzan-verhaal omgedraaid: een aap wordt opgevoed bij de mensen. Oef praat ook heel verbrokkeld. De apen in dit boek waren mijn eerste dierenpersonages.”

De dieren in ‘Rommelkatje’ zijn niet erg antropomorf. Is dat bewust?

„Ja, ze doen alleen dingen die honden en katten in het echt ook doen. Het boek is ook gebaseerd op wat ik observeerde bij dieren; daar heb ik natuurlijk wat bij verzonnen.”

De oorspronkelijke titel was ‘Slapen en schooieren’, dat is wat dieren doen. Waarom is dat veranderd?

„Vooral omdat ik een dubbel werkwoord eigenlijk niet mooi vind. De werkwoorden slaan wel op het leven van veel mensen die ik ken.”

Ook het jouwe?

„Nee, ik ben nog nooit ’s ochtends om elf uur in het café geweest voor een borrel. Doorgaans begin ik ’s ochtends al te schrijven.”

Je werkt nu aan een dierenverhaal voor volwassenen

„Ja, dat wordt wat zwaarder, in de trant van Anton Koolhaas. Die wordt helemaal niet meer gelezen hè.”

In ‘Mariken’ zegt een personage: schrijven in het zand of in een boek, de tijd blaast de woorden weg. Met een boek als ‘Winterijs’ blijf je toch?

„Ik ben ervan overtuigd dat ook mijn boeken uiteindelijk door de tijd weggeblazen worden. Dat maakt mijn werk een beetje tevergeefs, maar dat geeft niet. Schrijven is niet je bezighouden met de eeuwigheid. Schrijven is in de ochtend een moeilijke pagina voltooien.”