Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

Nog steeds een verkeerd beeld van de werkelijke Arabische wereld

We weten nu veel meer over de Arabische en islamitische wereld. Maar we durven niet te erkennen dat er ook veel is wat we niet weten. Drie redenen waarom er nog steeds zo veel misverstanden zijn en zo veel onwetendheid.

Een persfotograaf aan het werk in Bagdad. Strookt het beeld dat wij van Irak te zien krijgen wel met de werkelijkheid? Foto AFP A press photographer takes a picture as others run for cover while Iraqi security forces fire rounds in the air to disperse protestors who were chanting pro-Saddam Hussein slogans at the site of a suicide car bomb attack near a police station in southern Baghdad 19 July 2004. At least nine people were killed and 60 wounded. AFP PHOTO/Saeed KHAN
Een persfotograaf aan het werk in Bagdad. Strookt het beeld dat wij van Irak te zien krijgen wel met de werkelijkheid? Foto AFP A press photographer takes a picture as others run for cover while Iraqi security forces fire rounds in the air to disperse protestors who were chanting pro-Saddam Hussein slogans at the site of a suicide car bomb attack near a police station in southern Baghdad 19 July 2004. At least nine people were killed and 60 wounded. AFP PHOTO/Saeed KHAN AFP

Auteur van ‘Het Zijn Net Mensen. Beelden Uit Het Midden-Oosten’. Luyendijk werkte tussen 1998 en 2003 als correspondent in het Midden-Oosten.

Het gebeurde tijdens de zogeheten cartooncrisis over de Deense spotprenten over de profeet Mohammed eerder dit jaar. Een vriend in Egypte was jarig en ik belde om hem te feliciteren. Nadat we op z’n Arabisch het welbevinden van ons beider families grondig hadden doorgenomen, vroeg ik hoe het daar verder was. „De spanning is hier te snijden”, antwoordde mijn vriend. „Ik ken mensen die al dagen niet meer hebben geslapen.” Is het zo erg, vroeg ik bezorgd, denkend aan de beelden op westerse journaals van ‘woedende moslimdemonstranten’, en aan krantenartikelen over ‘woede in de islamitische wereld’. Egypte is een van de belangrijkste islamitische landen, liep het uit de hand? „Ik raak er ook door meegesleept hoor”, vervolgde mijn vriend. „Vooral die wedstrijd tegen Senegal. Ik bedoel: ik ben in één avond tien jaar ouder geworden.”

Mijn vriend had het gehad over de Africa Cup, het voetbaltoernooi dat op dat moment in Egypte werd gehouden en dat het gastland uiteindelijk zou winnen – met als gevolg het grootste volksfeest sinds de onafhankelijkheid. Het was een onschuldige spraakverwarring waar we meteen hartelijk om moesten lachen. Maar het laat ook zien hoe in de mainstream westerse media de verslaggeving over het Midden-Oosten kan afwijken van de werkelijkheid daar.

Sinds de visueel briljant geënsceneerde klap op 11 september 2001 is in het Westen de belangstelling voor de Arabische en islamitische wereld fenomenaal gegroeid. Woorden als sharia, jihad of shi’iet kom je tegenwoordig zonder uitleg tegen, en in iedere stationsboekhandel is wel iets te vinden over de islam en het Midden-Oosten. De hoeveelheid informatie is toegenomen, maar hoe zit het met de kwaliteit ervan? Hoe accuraat is het beeld in westerse media van het gebied waaruit onze vijand Bin Laden voortkomt en waar hij de macht hoopt over te nemen? De beeldvorming rond de cartooncrisis deze winter illustreert de misverstanden en onwetendheid.

Het eerste misverstand is de veronderstelling dat de Arabische wereld grosso modo eenzelfde soort politiek systeem heeft als het Westen. Wij kunnen niet begrijpen, schreven twee geziene commentatoren tijdens de cartooncrisis, „dat er geen massale volksbeweging in de Arabisch-islamitische wereld bestaat die het zelfmoordterrorisme veroordeelt, die oproept tot zelfreflectie en bezinning, tot begrip en zelfonderzoek.” Dat is inderdaad onbegrijpelijk –-totdat je weet dat de Arabische wereld bestaat uit dictaturen waar iedereen die zo’n massale volksbeweging zou proberen op te richten, direct in het gevang wordt gegooid, voor heel lang en onder gruwelijke omstandigheden, en vaak samen met een flink aantal familieleden. Het is een systeem waarin burgers geen rechten hebben, en zich dus niet kunnen uiten.

Tijdens de cartooncrisis lieten tv en kranten beelden zien van razende baarden die in Arabische hoofdsteden Deense vlaggen of poppen verbrandden in ‘demonstraties’. Maar dat was niet het goede woord. Bij een demonstratie denk je als westerling aan burgers die van hun vrijheid van meningsuiting en organisatie gebruikmaken om publiekelijk hun mening duidelijk te maken. In een dictatuur bestaan zulke vrijheden helemaal niet. Samenscholingen van welke aard dan ook zijn verboden en worden genadeloos uit elkaar geslagen, want voor je het weet marcheren de betogers door naar het presidentieel paleis. Dus wat zagen we op die beelden? Hooguit kon je zeggen dat kennelijk de regimes in die Arabische landen op dat moment baat dachten te hebben bij beelden van razende baarden die Deense vlaggen of poppen verbrandden. Het waren toneelstukjes, nauwlettend in de gaten gehouden door de oproerpolitie en de geheime dienst, die niets zeiden over de stemming bij de rest van de bevolking.

Tijdens de cartooncrisis en weer deze zomer tijdens de oorlog in Zuid-Libanon schreef menig commentator en columnist over de woede of haat tegen het Westen ‘bij veel moslims in de Arabische wereld’. Waar was dit op gebaseerd, behalve op beelden van demonstraties die geen demonstraties waren? Als ze al worden gehouden, verdienen ‘verkiezingen’ in de Arabische wereld niet die term. Politieke partijen zijn verboden of worden gecontroleerd door het regime, de staatsmedia zijn spreekbuizen van de heerser. Als nieuwsmedia dit niet keer op keer benadrukken, is het niet merkwaardig dat de demonstraties worden aangezien voor het topje van een ijsberg. Misschien zijn ze dat ook, maar we kunnen het niet weten.

Ter ondersteuning van hun idee van massale moslimwoede halen westerse commentatoren of columnisten soms citaten aan uit een Arabische krant die in Londen verschijnt of van het redelijk onafhankelijke Al-Jazira. Dat is relevante informatie, zelfs als zulke citaten komen van pro-Israëlische websites die tot doel hebben zoveel mogelijk negatieve berichten uit de Arabische wereld te verzamelen. Tegelijkertijd geldt opnieuw dat in dictaturen een uitspraak in een krant of op tv echt iets anders is dan in democratisch geregeerde landen.

Je kunt er dus niet dezelfde conclusies aan verbinden. Je weet nooit of een Arabier die verschijnt op Al-Jazira geen zelfcensuur toepast of zijn leiders naar de mond praat. Hij moet immers altijd vrezen voor het leven van zijn familie ergens in de Arabische wereld. Ook Al-Jazira is kwetsbaar. Kantoren kunnen worden gesloten. Familie van journalisten of hoofdredacteuren worden geïntimideerd of erger. En adverteerders op Al-Jazira willen toegang houden tot de markten die door de dictators worden beheerst.

Misschien nog een groter bezwaar is dat er geen gegevens zijn over de impact van Al-Jazira of die enigszins onafhankelijke kranten op de publieke opinie. Hoeveel mensen kijken naar Al-Jazira? Niemand kan het weten, want in een dictatuur mag het niet worden onderzocht. Hoeveel van de kijkers geloven wat ze horen? Opnieuw niemand die het kan weten.

Het probleem is dus niet dat de publieke opinie in een dictatuur zo goed verstopt is dat journalisten er niet bij kunnen. Het probleem gaat een niveau dieper: in een dictatuur bestáát geen publieke opinie in de westerse zin van het woord. Zelfs de dictator weet niet hoe zijn onderdanen over hem denken, of over Amerika, of over welke interpretatie van de islam de ware is. Dictaturen overleven bij de gratie van hun ondoorzichtigheid, want als bekend zou worden hoeveel leden van het regime bij elkaar roofden, hoe slecht ze het land bestuurden en waar de oppositie hiertegen zat, was het snel gedaan met de heersers.

Zo nu en dan worden in sommige dictaturen opiniepeilingen gehouden, bijvoorbeeld naar het imago van Amerika. Maar hoe kun je ervan op aan dat de gepeilde mensen eerlijk antwoord hebben durven geven? Stel dat de Duitse bezetter in ’40-’45 onder de Nederlandse bevolking een opiniepeiling had gehouden naar het imago van Churchill. Geen zinnige Nederlandse burger had toch eerlijk zijn mening gegeven, of geloofd dat zijn of haar antwoord anoniem zou blijven?

De publieke opinie in dictaturen is een grote witte vlek. In plaats van deze te benoemen en open uit te komen voor hun onwetendheid, voelen commentatoren en specialisten zich geroepen die vlekken in te vullen op basis van de vervormde beelden die via de nieuwsmedia tot ons komen. Ter overdenking: tot de aanslagen van elf september was de consensus onder westerse commentatoren en wetenschappers dat het moslimfundamentalisme over zijn hoogtepunt heen was.

Fundamentalistische Arabische organisaties praten in de westerse media niet of nauwelijks mee, zodat hun visie nauwelijks doorkomt, of alleen zwaar gefilterd. Fundamentalisten hebben geen bovengrondse politieke woordvoerders en als ze die hebben, worden deze genegeerd, met het begrijpelijke argument dat je terroristen geen platform geeft. Hierbij komt dat Bin Laden zijn video’s volpraat met ondoorgrondelijke beeldspraak over zionistische kruisvaarders en het bloed van de sidderende ongelovigen – onbegrijpelijk voor doorsnee westers publiek. Er bestaan uiteraard in het Westen evenmin denktanks van fundamentalistische snit, of sympathiserende academici of andere activisten die voor een westers publiek een begrijpelijk verhaal kunnen houden. Het gevolg is dat de tegenstanders van de fundamentalisten – moslims en niet-moslims – mogen uitleggen wat de fundamentalisten drijft. Uiteraard geven zij een zeer eenzijdig en partijdig beeld, en reduceren ze fundamentalisme tot haat, jaloezie en fascisme. Maar het fundamentalisme is meer dan dat.

Om terug te keren naar de cartooncrisis: in de westerse publieke opinie werd die geplaatst tegen de achtergrond van 11 september, de aanslagen in Madrid en Londen en de moord op Theo van Gogh. De protesten van moslims tegen de cartoons werden geïnterpreteerd als een nieuwe aanval of in ieder geval als onderdeel van een opmars, en nu was de vraag of er een grens moest worden getrokken. Voor zover dat viel af te leiden uit optredens op Al-Jazira en andere Arabische media, maakten fundamentalisten een heel andere selectie uit de recente actualiteit, één waarin hun protesten juist een defensief karakter kregen. Zij zetten de bloedbaden van moslims door westerse christenen in het voormalig Joegoslavië, Tsjetsjenië, Afghanistan en Irak op een rij, en plaatsen de cartoons in die lijn: nu proberen ze ook nog ons geloof te vernietigen, nu is het moment om te laten zien dat er grenzen zijn.

Het gaat er hier niet om wie gelijk heeft. Het gaat erom dat we alleen de daden van onze vijand kunnen begrijpen als we zijn argumenten ervoor kennen. Het gaat er niet alleen om wat westerlingen denken dat Bin Laden is, maar ook hoe Bin Laden zich presenteert aan de Arabische en islamitische wereld. Dan valt ook beter te begrijpen om welke redenen mensen zouden kunnen besluiten achter zo’n man of beweging aan te lopen.

De derde grote vertekening in de beeldvorming over de Arabische wereld sinds elf september geldt de rol van het Westen in het gebied.

Sinds 11 september heeft de school die Arabisch-islamitisch verzet tegen de Verenigde Staten verklaart uit haat, hersenspoeling en jaloezie, enorm terrein gewonnen. De belangrijkste vertegenwoordiger daarvan is Bernard Lewis en zijn boek The roots of Muslim rage, de oorzaken van de woede onder moslims. Lewis en anderen hadden al veel eerder aandacht gevraagd voor belangrijke ontwikkelingen in de islamitische wereld; met name de ophitsing van staatswege tegen het Westen, zowel in het onderwijs als de staatsmedia. Jarenlang is dat onderschat, genegeerd, gebagatelliseerd of goed gepraat – totdat de aanslagen van 11 september de deken van desinteresse en politieke correctheid wegtrokken.

Maar dit is niet het hele verhaal. Het probleem met de stroming van Muslim rage is precies dat woord ‘rage’, in het Nederlands meestal vertaald als ‘haat’. Haat is irrationeel, maar niet alle verzet tegen het Westen is op emoties en hersenspoeling gebaseerd. Ondanks de haag van retoriek over democratisering houdt het Westen al decennialang met wapens, geld en technologie de belangrijkste Arabische dictaturen in het zadel, met name Marokko, Algerije, Egypte, Jordanië en Saoedi-Arabië en de olierijke Golfstaten. Dat Arabieren in die landen in onvrijheid leven, komt mede doordat wij hun corrupte en bloedige onderdrukkers in het zadel houden. Die steun stellen fundamentalisten aan de kaak, maar hun boodschap dringt niet of nauwelijks door in de westerse media. Geregeld eindigen in ieder geval westerse columns en commentaren met een pleidooi aan moslims in de Arabische wereld om ‘de discussie over hun geloof aan te gaan’. Maar een Egyptenaar of Saoediër die dat doet, wordt door de regimes in die landen meteen in de gevangenis gegooid, en die regimes overleven dankzij ons. Dus wat is zo’n pleidooi waard, behalve dat het impliciet alle verantwoordelijkheid voor de onderdrukking in de Arabische wereld bij moslims zelf legt?

Terecht is opgemerkt dat de aanslagen van 11 september westerlingen hebben gedwongen ‘dreiging’ opnieuw een plaats te geven in hun wereldbeeld. Dit lukt steeds beter, getuige de politici die niet meer beloven dat ze aanslagen zullen voorkomen, maar slechts benadrukken dat ze al het mogelijke ondernemen om ze tegen te gaan. Misschien is nu het moment gekomen voor journalisten en commentatoren om een vergelijkbare stap te zetten, en ambiguïteit en gedoseerde zelfkritiek een plaats te geven in hun beeld van de Arabische wereld. Er zijn ook moslims die het Westen niet uit onwetendheid verafschuwen, maar omdat ze zien hoe onze politiek achter die haag van Witte Huisretoriek er werkelijk uitziet. En zoals politici niet moeten beloven dat de hele wereld maakbaar is, zo zouden journalisten en commentatoren niet moeten doen of de hele wereld kenbaar is.