Nog nooit zo alleen

Amerika is een bang en instabiel land geworden. De bevolking wil terreurvrij leven, de leiders zijn onberekenbaar.

Dit voorjaar maakten de Dixie Chicks hun comeback. Het countrybandje, drie vrouwen uit Texas, bekend van hun megahit Cowboy take me away, was in 2003 het middelpunt van nationaal tumult. Zangeres Natalie Maines van de Chicks – destijds de best verkopende countrymuzikanten van het land – zei tijdens een concert in Londen, tien dagen voor de aanval op Irak, dat de bandleden zich „schamen dat de president van de VS uit Texas komt”.

Amerika kreeg een waas voor ogen. Politici hekelden het gebrek aan patriottisme van de band. Fans lieten bulldozers cd’s vernietigen, radiostations boycotten de band, de zangeres werd met de dood bedreigd. Het Amerikaanse Rode Kruis sloeg een gift, één miljoen dollar, van de Chicks af.

Aan de bar van hotel Congres in Tucson, Arizona, een verzamelpunt van jonge popmuzikanten haalde in maart dit jaar basgitarist Rod Stadler een verfrommeld krantje uit zijn binnenzak. Er stond in dat de nieuwe cd van de Chicks, die in mei uit zou komen, een antwoord was op de controverse van 2003. Een liedje heette Not ready to make nice. Stadler, een vroege veertiger, was er vol van. „Ze slaan terug. Eindelijk!’”

Hij vertelde over een vriendin, Linda Ronstadt. De zangeres uit Tucson, die roem vergaarde in de jaren zeventig, had het in 2004 op de bühne in Las Vegas gewaagd haar sympathie voor Fahrenheit 9/11 van Michael Moore uit te spreken – waarna het publiek haar bekogelde, posters met haar foto van de wanden rukten, en zo een einde aan het optreden maakte. De rel rond de Dixie Chicks was geen incident.

The land of the free and the home of the brave, zoals de VS zich in de laatste zin van het volkslied definiëren, was na 9/11 niet gediend van kritiek op de natie en zijn leider. America Under Attack, luidde de banner van CNN op 9/11. Zo zei Bush het die dag ook, en dat werd de nationale analyse: terugvechten was de enige optie.

Daarna bepaalde conformisme het openbare gesprek – de ene na de andere progressieve denker en vrijwel alle Democraten steunden het Republikeinse plan voor de oorlog tegen Irak. De Dixie Chicks weerstonden in 2003 de druk niet en maakten vier dagen na de gewraakte uitspraak excuses aan de president. De zangeres was „respectloos” geweest, gaf ze toe. Rod Stadler weet nog hoe ongelukkig hij die dag was: „Je wist gewoon: het deksel gaat op de pot.”

Als het aan de pr-strategen van de Amerikaanse regering had gelegen, waren op deze plaats slachtoffers en nabestaanden van 9/11 aan het woord gekomen. De afgelopen periode werden buitenlandse journalisten in New York en Washington door het perscentrum van Buitenlandse Zaken bedolven onder de aanbiedingen om getroffenen te spreken.

Zo stuurde het Pentagon op 9 augustus het bericht uit dat er drie weken later, 30 augustus, een ochtend lang de mogelijkheid was om één-op-één interviews te houden met slachtoffers van 9/11. „Dat kunnen zijn: militairen, regeringsmedewerkers, hulpverleners, brandweer, politie en familieleden.” Per geïnterviewde waren vijf tot zeven minuten beschikbaar. „Dit is misschien de laatste kans om overlevenden van 9/11 bij het Pentagon te spreken.”

Wie alle aanbiedingen links liet liggen, werd alsnog bediend. Ons programma voor vraaggesprekken is nu afgerond, stond in een mail van 30 augustus. „Maar er zijn nog talrijke 9/11 overlevenden in Washington en New York die graag interviews geven.” Van drie organisaties waren de gegevens van contactpersonen bijgevoegd, van zestien andere de webadressen – Families of September 11th, Campaign for Skyscraper Safety, WTC Families for Proper Burial, Inc., etc.

Amerika is vijf jaar na dato nog altijd in de eerste plaats slachtoffer van 9/11: een slachtoffer dat heldhaftig tegen de vijand is opgestaan. De heldenmoed zit ook in de eerste twee bioscoopfilms die dit jaar over 9/11 uitkwamen. United 93 van Paul Greengrass laat zien hoe de inzittenden van het vierde gekaapte toestel, dat op weg was naar Capitol Hill, in verzet komen tegen de terroristen – waarna het neerstort in Shanksville, Pennsylvania. Detail: de filmmaker ging pas aan het werk toen hij toestemming van alle nabestaanden had. World Trade Center van Oliver Stone is het verhaal van twee agenten die het WTC na de eerste aanslag betreden om mensen te redden. Ze raken, als een van de torens neerstort, onder het puin bedolven. In een heroïsche operatie worden ze ontzet .

„Het is zeker geen toeval’’, schrijft de classicus Daniel Mendelsohn deze maand in The New York Review of Books, „dat de eerste twee op het grote publiek gerichte [films] over 9/11 zich concentreren op gebeurtenissen die niet representatief waren voor wat er die dag gebeurde”. De nadruk op heldendom en moed van gewone Amerikanen tekent volgens hem „de onwil om de (...) diepere oorzaken van 11 september onder ogen te zien, die de nationale reactie [op 9/11] karakteriseerde”.

9/11 nam Amerika mee in een wereld van ongekende gevaren. Aanslagen met biologische, chemische en kernwapens worden aan de lopende band voorspeld. Ook critici van Bush onderstrepen de dreigende situatie. Vorig jaar publiceerden twee oud-adviseurs van Bill Clinton, Daniel Benjamin en Steven Simon, een boek waarin de aanpak van de regering-Bush van de War on Terror onder vuur wordt genomen. Titel: The Next Attack.

In het collectieve bewustzijn van Amerika is de laatste jaren een palletje omgegaan: 9/11 was niet de echte aanval, die moet nog komen. Vance Serchuk, een terreurdeskundige van het neoconservatieve American Enterprice Insititute (AEI), zegt dat hij vijf jaar geleden, toen hij in Moskou op TV de eerste geluidloze beelden van een instortend WTC zag, dacht dat dit de „kleinschalige nucleaire aanval” was die hij al langer vreesde. En Ron Suskind, schrijver van de Eenprocentsdoctrine, een uiterst kritisch boek over de War on Terror dat dit jaar in de VS een bestseller werd, zegt dat men er in de inlichtingengemeenschap van overtuigd is „dat de volgende aanval, die zeker komt, vernietigender zal zijn dan elke andere terreuraanslag uit de geschiedenis”.

Onmiddellijk na 9/11 waren er in de gangen van de macht in Washington mensen die het onverstandig vonden de aanstaande strijd tegen Osama bin Laden en zijn helpers een ‘oorlog tegen terreur’ te noemen. Lawrence Wilkerson was destijds stafchef van minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell. Op zijn werkkamertje op de George Washington-universiteit in de Amerikaanse hoofdstad herinnert hij zich dat 12 september 2001 op zijn departement werd besloten dat er een ander buzzword moest komen. „We zeiden tegen elkaar: een oorlog tegen een methode kun je nooit winnen. Terrorisme zal altijd blijven bestaan.”

Een hoge medewerker van Defensie belde hem: jullie hebben groot gelijk. Maar het Witte Huis hield vast aan War on Terror, volgens Wilkerson vooral omdat de term zo goed bekt. „Zo kwam de catastrofale beslissing tot stand om een oorlog te beginnen waar nooit een einde aan zal komen.”

Later ontdekte hij dat er een tweede belangrijke grondslag was voor het gebruik van ‘oorlog’. Het gaf de president als commander-in-chief ongelimiteerde bevoegdheden – althans volgens zichzelf – om zonder raadpleging van het Congres vergaande anti-terreurmaatregelen te treffen. „Hij kon handelen als een dictator.”

Hoewel hij dichtbij het vuur zat, wist ook Wilkerson niet dat Bush de maanden na 9/11 een illegaal binnenlands afluisterprogramma opzette, geheime CIA-gevangenissen liet inrichten, en terreurverdachten het recht op een normaal strafproces ontzegde. Ook werden – achteraf bezien – in die periode de eerste terreurverdachten gemarteld; het was de kwestie waarop Wilkerson ten slotte zou afknappen.

Wilkerson ging al een jaar met moeite naar zijn werk omdat hij, ondanks aarzelingen, had meegewerkt aan de invasie van Irak. Toen deed zich voorjaar 2004 het Abu Graib-schandaal voor. Powell vroeg hem zich te verdiepen in de behandeling van oorlogsgevangenen. Wilkerson achterhaalde dat in de War on Terror al zeker honderd gevangenen in Amerikaanse cellen waren gestorven. In 27 gevallen ging het om moord. „Ik was verbijsterd. En niemand nam verantwoordelijkheid.”

Wilkerson schreef zijn ontslagbrief. Powell vroeg hem de termijn tot begin 2005 mee uit te zitten, en tot zijn spijt gehoorzaamde hij zijn baas, voor wie hij al sinds 1989 werkte. Sinds vorig najaar legt hij, een overtuigde Republikein, openlijk rekenschap af – het is zijn plicht, vindt Wilkerson, om de wereld te laten weten dat zijn land in een zwarte periode van de geschiedenis is beland.

Nog steeds gaat zijn stem trillen als hij de gemiste kansen en de stommiteiten opsomt waarvan hij getuige was. Hij herinnert eraan dat na 9/11 zelfs in de straten van Teheran werd geprotesteerd tegen de Talibaan. „De hele wereld steunde ons.”

De ommekeer kwam volgens hem toen Bush, Cheney en Rumsfeld de oorlog tegen Irak doordrukten. In alle opzichten – militair, strategisch, logistiek – een blunder van historische proporties, zegt hij. Nog altijd zijn er kansen om, samen met Iran en andere landen in de regio, rust in het land te brengen. Maar deze regering zal dat niet meer voor elkaar krijgen. „Daar zijn deze mensen niet competent genoeg voor.” En zo groeide 9/11 uit tot symbool van het verval van supermacht Amerika, zegt hij. „Het is dieptragisch – maar nog nooit in de geschiedenis waren we zo geïsoleerd.”

Intussen speelt de War on Terror in het leven van de meeste Amerikanen nauwelijks een rol. De veterloze schoen is de laatste jaren bij mannen sterk in opkomst, omdat deze op luchthavens tijdwinst oplevert bij de vaste ‘Richard Reid’-controle, vernoemd naar de shoe bomber. Alarmsignalen in kantoorgebouwen gaan zo vaak af, zeker in Washington, dat mensen er nauwelijks nog voor in beweging komen. En wie als eenling onaangekondigd een dorpje in Mississippi of Kansas aandoet krijgt steevast te maken met een oplettende burger, die op Amerikaanse wijze – dus vriendelijk en happy – informeert wat dat hier moet.

De War on Terror is binnen de VS dan ook lang niet zo omstreden als daarbuiten. Er waren de laatste jaren protestacties tegen Guantánamo Bay. Maar die verbleekten bij het nationale oproer dat dit voorjaar ontstond toen een Arabisch bedrijf de overslag van zes Amerikaanse havens opkocht. De regering had er in een onbewaakt moment mee ingestemd, en de Democraten, geleid door Hillary Clinton, eisten onmiddellijke intrekking van dat besluit. De veiligheid van de havens mocht niet in Arabische handen komen. Onderliggende boodschap: de Democraten, die de laatste twee verkiezingen verloren omdat kiezers Republikeinen meer vertrouwen in de War on Terror, willen nóg harder tegen terreurgevaar gaan optreden.

Een gotspe, bromt Jim Bamford. Hij staat bekend als de best ingevoerde journalist in de Amerikaanse inlichtingengemeenschap. In het verleden schreef hij standaardwerken als The Puzzle Palace (1982) en Body of Secrets (2001) over de NSA, de grootste geheime dienst van de VS die is gespecialiseerd in afluisteren. Hij werkt nu aan een derde boek over de dienst – over zijn rol in de War on Terror.

Het probleem is volgens hem dat de massale vrees voor de volgende aanval een rationele analyse van het gevaar in de weg staat. Populaire tv-shows raken niet uitgepraat over de kwetsbaarheid van het land. „Nooit vraagt eens iemand: maar hoe groot is de kans nou dat iemand in Kentucky slachtoffer van een aanslag wordt?” Vóór 2001 stierven gemiddeld negen Amerikanen per jaar aan een terreuractie. Dat aantal is na 2001 gedaald. „Het gevaar dat je in een auto-ongeluk om het leven komt is veel groter. Het dringt niet tot mensen door.”

Een van de oorzaken, zegt Bamford, is dat de regering de anti-terreurstrijd grotendeels uit handen van de federale recherche FBI heeft genomen. De inlichtingendiensten kregen het voortouw. Vooral Cheney had na 9/11 niet het geduld voor het gecompliceerde proces van bewijsvergaring en berechting van verdachten. De kleinste verdenking was genoeg om in te grijpen, zei hij – waar ook ter wereld. En zolang dat in het schemerduister van het inlichtingenwerk gebeurt, krijgt het publiek geen inzicht in wat er gebeurt.

Deze opzet had voor Bamford het paradoxale voordeel dat hij – dankzij zijn contacten – een voortreffelijk beeld kreeg van de werkelijke gang van zaken. „Die hele War on Terror is onzin”, bromt hij opnieuw. „Door de oorlog in Irak heeft de VS het terrorisme juist wind in de zeilen gegeven.”

De inlichtingendiensten die de regering inzet zijn volgens hem ongeschikt voor de bestrijding van terroristen. „Al hun methoden en middelen zijn ontwikkeld in de periode dat de Sovjet-Unie de vijand was. Ze zijn niet werkelijk in staat terroristen te traceren die zich schuil houden en met wegwerpmobieltjes en de korte golf contacten met elkaar hebben. Daar hebben ze geen expertise in.”

Hoe vergaand de middelen ook zijn die men tegen terroristen inzet – ze wekken valse hoop. „Zeker deze diensten zullen aanslagen niet kunnen voorkomen.”

Maar intussen, zegt Lawrence Wilkerson, heeft de regering-Bush na 9/11 stelselmatig de indruk gevestigd dat een terreurvrije maatschappij reëel is. „Een echte leider had gezegd: helaas, volledige veiligheid bestaat niet. Daarvoor moeten we de principes van de rechtsstaat over boord zetten en de overheid gaat er failliet aan. Bush is geen echte leider.”

Progressieve Amerikanen zeggen dat het najaar van 2005 later aangewezen zal worden als de periode waarin Amerika tot inkeer kwam. Een cruciale rol speelde de oorlog in Irak, die, anders dan de War on Terror, het dagelijkse leven van de meeste Amerikanen wel binnendrong: de televisie bracht aanhoudende beelden van chaos, steeds meer Amerikanen zagen een familielid naar het front vertrekken, en een groeiend aantal vond er de dood. De regering probeerde de afkalvende steun voor de oorlog in Irak tegen te gaan door die te vervlechten met de War on Terror – maar dat stuitte op scepsis bij de bevolking.

Het was een Democratisch Congreslid, de gelouwerde Vietnam-veteraan John Murtha, die november vorig jaar het licht aandeed. Murtha, anti-abortusactivist en bekend om zijn goede relaties met de legertop, bepleitte de volledige terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Irak. Amerikanen zijn er schietschijf in een burgeroorlog geworden, zei hij. „We spenderen daar geld (...) dat we beter kunnen gebruiken voor de War on Terror.”

Het Witte Huis en de Republikeinen reageerden volgens het beproefde recept: net als eerder de Dixie Chicks werd Murtha een gebrek aan vaderlandsliefde verweten. En het interessante was: het werkte niet meer, de kritiek keerde zich tegen de critici. Cheney zag zich een paar dagen later genoodzaakt te zeggen dat Murtha „geen lafaard” is, maar dat hij het overigens beleefd oneens is met de geachte afgevaardigde. En binnen de Democraten, die bijna allemaal de oorlog hadden gesteund, kwam een beweging van anti-oorlogskandidaten voor de Congresverkiezingen van eind dit jaar op gang. Mede daarom voorspellen peilers nu dat na de verkiezingen het Huis van Afgevaardigden voor het eerst sinds 1994 weer een Democratische meerderheid zal kennen. Eén man heeft zich al kandidaat gesteld die meerderheid te gaan leiden: John Murtha.

De comeback van de Dixie Chicks in mei dit jaar paste in een trend. Een fragiele trend. De tournee van de Chicks verliep succesvol maar in bepaalde delen van Amerika zijn ze nog steeds niet welkom: zo werd een concert in Houston, Texas, afgelast.

9/11 heeft van Amerika een instabiel land gemaakt, zegt Lawrence Wilkerson. De bevolking neigt ernaar zich terug te willen trekken van de brandhaarden in de wereld maar eist evengoed een terreurvrij land. De regering is hypergevoelig voor de wensen van de bevolking maar heeft zich in Irak evengoed een strop om de eigen nek gelegd. „Hoe kom je hieruit? De wereld zal steeds meer moeite hebben ons gedrag te voorspellen, denk ik.”

Op één gebied zal dat de komende periode opspelen, voorziet hij: Iran. Al sinds 9/11 gaan er binnen de regering en haar adviseurs stemmen op om ook Iran aan te pakken in de War on Terror. Zo was er bij het neoconservatieve American Enterprice Institute (AEI) Michael A. Ledeen – bekend om zijn goede contacten met Karl Rove, de belangrijkste adviseur van Bush – die 9/11 aangreep om het state sponsored terrorism op de agenda te zetten. Ledeen, een ‘ultra-neoconservatief’, publiceerde een half jaar na 9/11 een boek, The War Against the Terror Masters, waarin hij terreurdaden van Irak, Iran, Syrië en Saoedie-Arabië beschrijft. Voor hem was het ten val brengen van Saddam Hussein onderdeel van een bredere strategie, uiteindelijk gericht op regime change in Syrië en Iran. „Iran voert al sinds eind jaren zeventig oorlog tegen ons, en wij moeten nog steeds reageren”, smaalt hij.

Ledeens analyse sluit aan bij de terreurangst van het land. En zoals een meerderheid van de Amerikanen tijdens de invasie van Irak – ten onrechte – dacht dat Saddam Hussein een aandeel had in 9/11, zo leren peilingen vijf jaar later dat bijna de helft (46 procent) van de Amerikanen Iran als „een groot gevaar” voor de wereldvrede beschouwt. Drie jaar geleden was dat nog 26 procent.

„Mij dunkt dat de Amerikaanse bevolking op dit punt blijk geeft van een scherp inzicht”,, zegt Ledeen. Hij zou „op dit moment” geen aanval op Iran steunen. Maar hij vermoedt dat „Iran al een atoombom heeft”, en zou mede daarom „een beperkte militaire actie tegen Syrië en Iran in het kader van de War on Terror zeker verstandig vinden”.

Journalist Jim Bamford vertelt dat hij de bewegingen van Ledeen en diens neoconservatieve vrienden met de grootst mogelijke argwaan volgt. Nu de controverse over het nucleaire programma van Iran escaleert en de recente oorlog in Libanon in Amerikaanse ogen bevestigde dat Iran een staatssponsor van terreur is, neemt binnen de regering het aantal pleitbezorgers van een militaire operatie tegen Iran weer toe, zegt hij.

Het is op zichzelf onwaarschijnlijk dat de regering Iran zal aanvallen, zegt Bamford. „Ze hebben door Irak wel wat anders aan hun hoofd.” Maar het probleem is volgens hem dat de minste aanleiding – „laten we zeggen, een terreuraanslag met Iraanse betrokkenheid” – de situatie kan doen kantelen. „De president is een gevangene van rechtse extremisten. De lobby voor een aanval op Iran bevindt zich binnen de regering. Die groep zal elke kans aangrijpen om de president om te praten.”

Lawrence Wilkerson zegt dat de analyse van Bamford klopt. „Zijn er mensen in deze regering die hoe eerder hoe liever Iran willen aanvallen? Absoluut. Dick Cheney is hun leider.” En al is Cheney’s invloed op dit moment tanende, het beslissende moment in het conflict zal ergens in het najaar van 2007 zijn. „Ik ken deze regering, ik ken er veel mensen, en het is waar: sinds 9/11 regeren wij niet alleen meer met ons verstand.” Dus volgend jaar rond deze tijd kan Dick Cheney het pleit alsnog hebben gewonnen? „O zeker.”