In het huis van mijn krant wonen vrijdenkers

Folkert Jensma (1957) trad deze week af als hoofdredacteur van NRC Handelsblad. Een afscheidsgesprek over het verdwijnen van kranten, de lezer als klant en de moeizame verhouding tussen pers en overheid. „De overheid heeft een stille behoefte om het vrije burgers moeilijk te maken.”

Folkert Jensma: „Als wij de declaratiestaten van minister Veerman in willen zien, krijgen we A’4tjes die van A tot Z met typex onleesbaar zijn gemaakt.” Foto’s Vincent Mentzel, rechtsboven Merlin Daleman F. Jensma Rotterdam 06-09-06 © Foto Merlin Daleman Mentzel, Vincent

Woensdagmorgen 6 september 2006, tegen negen uur. Zoals elke werkdag hebben zich, rond de ovalen tafel in zijn hoofdredactionele werkkamer, de adjuncten en de chefs van dienst verzameld. Folkert Jensma, hoofdredacteur NRC Handelsblad, neemt het ochtendlijke woord.

„Vandaag”, zegt hij, „maak ík de voorpagina.”

Een enkeling rond de tafel weet wat er nu gaat komen.

„En dat doe ik vandaag voor het laatst.”

De anderen kijken verrast op.

„Want ik heb besloten om per vandaag af te treden als hoofdredacteur.”

Er valt een korte kuise stilte, maar geen traan. Daarvoor is de opgeluchte, bijna blije ondertoon van de vertrekkende hoofdredacteur te duidelijk hoorbaar.

„Ik heb bij mijn aantreden gezegd dat ik het voor een beperkte tijd wilde doen. Het heeft nu op de kop af tien jaar geduurd. Nu ga ik weer schrijven voor de krant.”

Kort daarop gaat de vergadering – het nieuws neemt ook geen pauzes – over tot de gebruikelijke orde.

„Economie had gisteren in de kop het woord omzijlen met een lange ij!”

„Ja! En Maastricht heeft geen Centraal Station. Het is gewoon: station Maastricht.”

Voor het komende nummer gaat de belangstelling, onder veel meer, uit naar een dissidente brief van het VVD-Kamerlid Van Schijndel: „Vinden jullie ook niet dat hij steeds meer als Pim Fortuyn gaat kijken?” En kan de krant geen foto vinden van die zus van Zinedine Zidane?

Die middag kopt de voorpagina van NRC Handelsblad over vier kolommen: ‘Folkert Jensma weg als hoofdredacteur NRC’. „Mooi”, lacht de vertrekkende man. „Want daaronder staat tweekoloms: ‘Tom Poes is terug’.”

Een dag eerder zit ik aan dezelfde ovalen tafel tegenover de scheidende hoofdredacteur. Op verzoek van zijn adjuncten mag ik, erkend buitenstaander, Folkert Jensma het afscheidsinterview afnemen. Nog voor ik mijn eerste vraag gesteld heb zegt hij dat hij daar „behoorlijk zenuwachtig” over is. Tien jaar leiding geven aan een kwaliteitsredactie is tot daar aan toe. Maar daar in je eigen krant het slotwoord over spreken? Poeh!

En dus geef ik hem, ter geruststelling, de gelegenheid om op zijn voorlaatste werkdag één wens over zijn NRC uit te spreken die onmiddellijk en zonder democratische discussie uitgevoerd zal worden.

„Dan weet ik het wel”, zegt Folkert Jensma zonder aarzelen. „Daar praat ik al jaren over, want dat is toch wel een steen des aanstoots. Dan wens ik dat ik iedere redacteur zo gek krijg om onder elk stuk tenminste één internetverwijzing te zetten waar je wat aan hebt! Waarom aan een bericht dat het Centraal Plan Bureau een partijprogramma heeft doorgerekend geen internetverwijzing toegevoegd naar de plaats waar je die berekening kunt vinden? Jazeker. Dan trad ik met een nóg beter gevoel af.”

Achter dit, op het eerste gezicht onschuldige, hoofdredactionele slotverlangen blijkt bij doorpraten een wereld van gedachten schuil te gaan over de toekomst van de journalistiek in het algemeen en over die van de kwaliteitskrant NRC in het bijzonder. Folkert Jensma zegt dat de NRC van tien jaar terug nog altijd sprekend lijkt op de krant van nu. Dezelfde ambitie, hetzelfde normbesef, dezelfde politieke en maatschappelijke blik. Maar dat voor de rest alles eraan veranderd is. Nieuwe bijlages. Nieuwe indelingen. De grotere rol van het beeld. Zo ook de rol van kleur. Allemaal geen wezenlijke dingen. Wel wezenlijk is de belangrijkste van al die veranderingen: de ‘cultuurschok’ van het langzaam doordringende besef dat de krant er niet is voor de redactie, maar voor de lezers.

Folkert Jensma: „Zeker bij de NRC is de traditie heel sterk gericht op de redactie zelf, op de auteur, op diens ideeën. Tien jaar geleden werden alle artikelen lineair opgeschreven. De schrijver zocht naar een leuke opening, begon vervolgens links boven en eindigde rechtsonder. Hij deed dat in de verwachting dat de lezer zijn artikel zo ook las. Wat ik geleerd heb is dat de lezer van nu daar het geduld niet meer voor heeft. Die leest heel anders. Op zo’n grote pagina gaat hij winkelen. Hij leest eerst de laatste alinea rechtsonder om te kijken of hij beloond wordt als hij linksboven aan het stuk begint. De journalistiek van de toekomst houdt met dat veranderde leesgedrag rekening. Die brengt geen lineair geschreven stukken meer. Die maakt wel drie of vier stukken tegelijk. Eén met woorden, één met graphics, één met kleur, noem maar op.”

De scheidende hoofdredacteur zegt dat dit in het kort ‘het evangelie’ is dat hij en zijn medestanders ter redactie hebben willen verkondigen: „die brevieren lezen we hier al jaren”. En dat hij zijn redactie er pas sinds kort in meekrijgt. En dat dat te danken is aan het succes van nrc.next, de tabloid-ochtendkrant die het evangelie in de praktijk brengt en die binnen de kortst mogelijke keren vijftigduizend Spits- en Metrojongelingen aan het NRC-krantenlezen gebracht heeft. Folkert Jensma: „In nrc.next staan niet zozeer artikelen als wel producties. Er moet een visueel element in zitten en een informatief element en een doorverwijs-element. Voor een journalist vereist dat een heel andere manier van denken.” Folkert Jensma slaakt als het ware een postume zucht. Onder zijn redacteuren, zegt hij, was de scepsis tegen het next-plan enorm. „We hebben ons daar met een kleine groep dwars doorheen moeten vechten.” Maar nu het blad een succes is, gaan ook de grootste criticasters, tot de buitenlandredactie aan toe, erin mee.

Ik vraag hem: „Zou u zelf als krantenlezer genoeg hebben aan een blad als nrc.next?”

Folkert Jensma: „Ik? Nee. Geen sprake van.”

Waarom anderen dan wel?

„Ik ben 48 jaar. Voor mij zijn de nieuwe media er later in mijn leven bijgekomen. Ze maken geen wezenlijk onderdeel uit van mijn leven. Maar dat ligt heel anders bij de hele groep daaronder. De grens ligt bij 35 of 40 jaar.”

Ziet u de volledige krant, de avondkrant NRC zoals we die nu kennen op den duur verdwijnen?

Folkert Jensma: „Die is al aan het verdwijnen. Ieder jaar zie je de gemiddelde leeftijd van ons type kranten, over de hele wereld, een stukje naar boven opschuiven.”

Ziet u dan meer nrc.nexten opbloeien, onvolledige kranten gericht op een specifieke doelgroep?

Folkert Jensma: „Ik denk dat de informatietitel NRC Handelsblad, als ik het zo mag noemen, uit een aantal gedrukte vormen zal gaan bestaan, waarvan de krant die wij kennen nog lang de grootse zal zijn, terwijl het belang daarvan ondertussen wel afneemt naarmate er meer op specifieke groepen gerichte deelkranten, deelproducten, websites, tijdschriften en audiovisuele programma’s bijkomen. Allemaal strikt toegesneden op mensen in een bepaalde levensfase en op mensen met een bepaalde interesse.”

Maar als de volledige krant verdwijnt en er louter nrc.nexten overblijven, is dat dan geen knieval voor de lezer?

Folkert Jensma: „Ja. Maar dat vind ik geen schande. De krant is er voor de lezer.” Hij benadrukt dat krantenmaken een dienstbaar beroep is. „Het lijkt me voor een journalist echt zinloos om het eigen lijntje te blijven volgen als je ziet dat dat gaandeweg verlaten wordt door de mensen die het moeten betalen. Dat leer je wel als je tien jaar hoofdredacteur bent en vier keer per jaar achtervolgd wordt door een uitgever die je je centen wil afpakken. Daar word je erg monetair en economisch van. Voor mij was dat in die tien jaar de grootste cultuurschok. Dat ik geleerd heb om de lezer als klant te zien. Daar ben je als journalist niet op voorbereid.”

Als Folkert Jensma’s laatste krant de volgende dag op de drukpersen ligt, roept hij zijn hele redactie in een duistere zaal bij elkaar. „Ik heb een groot gevoel van voldoening”, zegt hij. „En ik ben optimistisch over de toekomst. Nu is het mooi geweest.” Hij hoopt dat hij weer „welkom is in jullie midden” en dat hij „veel in de krant mag gaan schrijven”.

Hij kijkt verheugd de zaal in.

„Ik heb gezegd.”

De ex-hoofdredacteur zou, schat ik, voldoende tijd gehad hebben om tijdens de hierop volgende dankbare ovatie bij wijze van spreken een keer of vier, vijf het toneel op en het toneel af te huppelen.

„Folkert”, zegt Birgit Donker die hem als waarnemer gaat vervangen, „jij hebt in alle mediageweld altijd je rug recht gehouden.”

„Folkert”, zegt Bas Blokker namens de redactieraad. „Jij streed niet met open vizier. Jij had helemaal geen vizier.”

„Iemand nog iets te vragen aan Folkert?”

Nee? Niemand?

Einde van een tijdperk.

Vierentwintig uur daarvoor vraag ik Folkert Jensma: als de krant een mijnheer is, wat voor mijnheer verdwijnt er op den lange duur dan, als de ‘volledige’ NRC Handelsblad verdwijnt?

Folkert Jensma: „Een mijnheer die erg op zijn lezer lijkt. Nieuwsgierig. Open. Geïnteresseerd. Geen dogmatisch persoon. Iemand die andere kranten ook wel leest, maar in die ene van ons meer plezier heeft. Die graag in dat huis van ons woont.”

Hoe ziet dat huis er van binnen uit?

„Daar staan ontzettend veel boeken in over van alles en nog wat. Men is er ad rem. Geestig zelfs. Scherp op de buitenwereld. Maar ook op zichzelf. Los van conventies. Wars van hiërarchie. In het huis van mijn krant wonen vrijdenkers. Dat is het beeld dat ik heb.”

Een ander huis dan dat van de Volkskrantlezer?

Folkert Jensma: „De Volkskrant wil meer met de wereld dan de NRC. In de Volkskrant zit een bepaald ongenoegen. Een drive om iets aan de wereld te veranderen. Op bepaalde cruciale momenten komen ze er, huns ondanks eigenlijk, niet onderuit om dat goed te laten zien. Ik vind het wel sympathiek, maar ik moet er ook altijd een beetje om gniffelen. Zijn ze zichzelf weer heel even niet de baas. Wij blijven de nuchterheid en de afgemetenheid ten voeten uit. Die toon beheersen wij. Het irriteert de lezer vaak, want die wil wel dat er betrokkenheid, engagement, emotie in zit. Maar ik wil de golf van emoties die de media veroorzaken niet aanzwengelen. Ik wil die golf juist te lijf gaan.”

Ik vermoed dat de opluchting die Folkert Jensma voelt na zijn tien hoofdredacteursjaren ook iets te maken heeft met de aard van het journalistenvak. Het lijkt mij sterk dat er elders in het vrije bedrijfsleven een net zo eigenwijze groep mannen en vrouwen samen aan een en hetzelfde product werkt.

Hoe gaf Jensma leiding aan zo’n principiële kikkerton? Een van zijn adjuncten omschrijft baas Jensma als ‘de koningin Beatrix van het Handelsblad’.

Folkert Jensma: „Eh, hij bedoelt, eh, wat bedoelt hij eigenlijk, oh, ja, ik weet wat hij bedoelt.”

„Door velen gerespecteerd”, zeg ik. „Maar door weinigen warm gevonden.”

Folkert Jensma: „Het is niet waar ik naar streef, maar het klopt wel. Ik weet dat mijn redactie mij geen warme, schouderklopjes uitdelende, complimenten uitsprekende figuur vindt. Het is voor mij een houding om mijzelf te beschermen, om in evenwicht te blijven. Zo’n krant rukt en trekt aan je. Mensen kijken naar je, vragend, verlangend. Daar raak ik wel een beetje door geïntimideerd. Als je een keer uitglijdt heeft dat kolossale gevolgen. Dan gaat de roeptoeter werken en dan raak je mensen verschrikkelijk, terwijl je misschien alleen maar iets doms gezegd hebt.”

Minder voorzichtig is Folkert Jensma in de contacten met zijn uitgever en met PCM, het bedrijf dat behalve de NRC ook de Volkskrant en Trouw uitgeeft. Natuurlijk is hij hoogst ongelukkig met die situatie, precies zoals zijn concurrerende collega-hoofdredacteuren. Hij herinnert vol afschuw aan het waanidee van een gezamenlijke internetexploitatie, dat elke PCM-krant afzonderlijk zwaar op achterstand gezet heeft. En hij noemt het volgens hem nog altijd haalbare plan voor een nieuw financieel ochtendblad dat tot nu toe door PCM wordt tegengehouden, maar waar de nieuwe PCM-directie onlangs toch weer belangstelling voor liet blijken.

Ik vraag Folkert Jensma of hij nooit de neiging gehad heeft om, behalve de journalistieke, ook de zakelijke leiding van de krant op zich te nemen. Verrassenderwijze antwoordt hij dat hij daar negen van zijn tien jaren niet aan moest denken, maar dat hij in zijn laatste jaar tot de conclusie is gekomen dat die combinatie wel het beste zou zijn. Directeur-hoofdredacteur. En dat hij, toen hij tot die conclusie kwam, besloot om af te treden.

„Zou u het uw opvolger aanraden?”

„Nee. Voor iemand die eraan begint is de combinatie te zwaar.”

Maar in principe?

In principe zou het het beste wezen.

Folkert Jensma zegt dat je het ook van een andere kant kunt bekijken. Waarom is de zakelijk leider zo zelden iemand die verstand heeft van journalistiek? Waarom is hij geen journalist die een tijdje over het geld gaat?

Op de achtergrond valt de zucht te horen van de man die in tien jaar hoofdredacteurschap, drie bestuursvoorzitters, zes uitgevers en vijf advertentiedirecteuren versleten heeft. Van de jongste loot aan deze stam, de van het Financieel dagblad afkomstige Philip Alberdingk Thijm, ontving Folkert Jensma kort voor zijn aftreden een lijst met 130 vragen, te beantwoorden tijdens een gezamenlijke ‘strategic session’. Hij heeft, samen met zijn adjunct Gijsbert van Es en uitgever Stef Rietbergen, op al die vragen in een syllabus schriftelijk antwoord gegeven. Daarna is hij, ondanks de toen heersende hittegolf, in zijn zondagse pak en met een stropdas om, naar de ‘voluptueuze gelegenheid’ gereden waar de strategic session plaats zou vinden. En daar heeft hij de syllabus overhandigd om vervolgens een in krachtige bewoordingen gestelde toespraak te houden met als strekking dat de mensen van de centen de mensen van het woord vooral heel, heel, heel erg veel met rust moeten laten.

Als er iets is dat Folkert Jensma persoonlijk journalistiek heeft achtervolgd, dan is het wel het commentaar dat hij op de middag van 6 mei 2002 over Pim Fortuyn schreef, zonder te kunnen vermoeden dat het onderwerp van zijn waarschuwend woord tegen populisme en xenofobie dood op straat zou liggen toen zijn lezers een paar uur later hun krant opensloegen.

„Uw redactie”, zeg ik, „was heel lang niet bereid om Pim Fortuyn zelfs maar te interviewen.” Folkert Jensma zegt dat dat mogelijk voor zijn Haagse redactie gold, maar niet voor zijn redactie Binnenland.

Was uw eigen commentaar geen miskenning van de antipolitieke veenbrand die Fortuyn als geen ander zag smeulen?

Folkert Jensma: „Als ik wat ik toen schreef nu overlees denk ik: kom, kom, kan het een onsje minder? Maar in essentie ben ik het er tot de dag van vandaag nog steeds mee eens.”

Ik vraag hem ook naar de gespannen verhouding tussen pers en overheid. Hij zegt dat elke vorm van journalistiek het moet hebben van vrijheid, en dat hij het toezicht op de pers, dat van overheidswege de laatste jaren steeds sterker bepleit wordt, niet anders zien kan dan als een stille behoefte om het vrije burgers moeilijk te maken. Achter elkaar kwamen de Raad voor het openbaar bestuur, de raad voor de maatschappelijke ontwikkeling en minister Donner persoonlijk met plannetjes om de pers aan banden te leggen. Folkert Jensma: „Ik verwerp iedere vorm van overheidstoezicht op de pers, op de strafrechtelijke beletsels na die voor alle burgers gelden. Ik wil gewoon een stukje in de krant kunnen blijven schrijven zonder rekenschap af te moeten leggen aan de burgemeester.”

Als het erop aankomt, zegt Folkert Jensma, is er in Nederland nauwelijks nog sprake van een openbaar bestuur. „De openbaarheid wordt gestuurd, gefilterd, strategisch ingezet. De Wet op de Openbaarheid van het Bestuur is uitgehold, daar is niks meer van over. Als wij de declaratiestaten van minister Veerman in willen zien, krijgen we A’4tjes die van A tot Z met typex onleesbaar zijn gemaakt. Toen we zochten naar de redenen voor het kabinet om aan de oorlog in Irak politieke steun te verlenen, waren sommige velletjes die we kregen op één regel na zwartgelakt.”

Of het daardoor komt of niet – volgens Folkert Jensma is „de journalistiek in de ogen van velen minder belangrijk geworden”. Journalisten, zegt hij, meten zich graag aan dat er door hun selectie een objectief beeld ontstaat. Die opvatting wordt door het brede publiek steeds minder gedragen. „Kom op zeg”, hoort hij nu veel vaker dan vroeger. „U doet ook maar wat.”

Aan het einde van ons gesprek vertel ik dat een vroegere hoofdredacteur van Vrij Nederland zijn nieuwsjaarstoespraak altijd begon met de zinsnede: ‘Uw hoofdredacteur houdt nu de toespraak die hij vorig jaar ook hield.’

Folkert Jensma glimt welhaast van instemmende herkenning.

„Absoluut!”, zegt hij. „Klopt.” Toen hij de tiende nieuwjaarstoespraak voor zijn redacteuren af had dacht hij: dit is het, hierna zeg ik geen woord meer. „Dan hoor je jezelf praten en dan denk je, dat heb ik al eens gezegd. Erger nog, dat hebben al die mensen die naar mij luisteren al eens gehoord. Dat moet ophouden. Er moet iemand anders komen. Alle goede bedoelingen ten spijt, de langspeelplaat met de tik erin, die kan niemand omzeilen. Met een korte ei. Die tik dreigt altijd.”

Lees over de toekomst van de Nederlandse journalistiek op het onafhankelijk debatplatform: www.denieuwereporter.nl

    • Gerard van Westerloo