Wat wil die man toch van ons?

Wat weten we, vijf jaar na de aanslagen van 11 september, over de drijfveren en achtergronden van de aanhangers van de jihad? In nieuwe boeken speuren auteurs naar de kern van het conflict tussen de radicale islam en het Westen.

Lawrence Wright: The Looming Tower. Al-Qaeda and the Road to 9/11.Penguin, 453 blz. € 27,49

Ephraim Karsh: Islamic Imperialism. A History.Yale University Press, 276 blz. € 29,49

Faysal Devji: Landscapes of the Jihad. Militancy, Morality, Modernity.Hurst & Company, 184 blz. € 24,49

Op een afstand van vijf jaar begint het mogelijk te worden om de historische implicaties van de aanslagen van 11 september wat nuchterder te bekijken. In de paniek van het moment zijn ze wel geduid als de aankondiging van de Derde Wereldoorlog, of van de naderende ondergang van de westerse beschaving. Zulke apocalyptische angstvisioenen zijn begrijpelijk, maar achteraf blijken ze te zwaar aangezet. Maar wat is dan wèl de historische betekenis van de aanslagen? Staan ze in een lange traditie van islamitische confrontatie met het christelijke Westen, of zijn ze een wezenlijk nieuw verschijnsel? En valt er al iets te zeggen over hoe Al-Qaeda’s jihad zich in de nabije en wat verder gelegen toekomst zal ontwikkelen?

Een bijzonder beeldende zoektocht naar de dieper liggende achtergronden van de aanslagen is Lawrence Wrights The Looming Tower. De geschiedenis van de aanloop naar 11 september heeft van zichzelf al genoeg elementen van een thriller, maar doordat Wright zijn verhaal grotendeels baseert op interviews met een imposant aantal betrokkenen, komen zijn personages ook echt tot leven. In zijn schets van de ontwikkeling van de radicale islam passeren de usual suspects de revue, zoals de Egyptische denker Sayyid Qutb (1903-1966) en de radicale Moslimbroederschap. Maar zijn hoofdpersoon is natuurlijk Bin Laden, met als voornaamste tegenspeler John O’Neill, hoofd terreurbestrijding van de FBI. Die zag als een van de eersten dat er een grote terreuraanslag tegen Amerika op komst was; zijn waarschuwingen werden echter in de wind geslagen. Uiteindelijk zou hijzelf op 11 september onder het puin van het instortende World Trade Center worden bedolven. O’Neill wordt door Wright nadrukkelijk voorgesteld als een all-American cop met een zwak voor Chivas Regal en sigaren. Deze dramatische tegenstelling tussen een Amerikaanse gezagsdienaar met geldproblemen en de Arabische ascetische rijkeluiszoon Bin Laden geeft zijn boek beeldende, zelfs filmische kwaliteiten. Wellicht is het ook geschreven met een eventuele verfilming in het achterhoofd.

Volgens Wright, journalist voor The New Yorker, is een algehele afkeer van het Westen de drijvende kracht van Al-Qaeda. Het is maar de vraag in hoeverre dat klopt. Bin Laden spreekt in zijn boodschappen minder over de vijandigheid of verdorvenheid van westerlingen dan over de vernedering en onderdrukking van moslims. En al is hij zelden bescheiden in zijn ambities, hij roept moslims niet op tot een wereldwijde aanval op de decadentie of seksuele losbandigheid van ongelovigen, maar veeleer tot verzet tegen buitenlandse bezetting, met name in Afghanistan, Saoedi-Arabië en Palestina, en meer recent ook in Irak. Daarin wordt hij gesterkt door de herinnering aan twee onmiskenbare successen van de jihad: het vertrek van Sovjettroepen uit Afghanistan in 1989 en de al even vernederende aftocht van Amerikaanse troepen uit Somalië in 1993. Opmerkelijk genoeg schrijft hij deze overwinningen niet zozeer op zijn eigen conto, of zelfs maar dat van Al-Qaeda, maar algemener op dat van de mujahedeen of jihadstrijders. Dat zou een teken kunnen zijn dat voor hem de organisatievorm van Al-Qaeda minder belangrijk is dan de algemene mobilisatie voor de jihad. Maar wat is dan precies het doel van Al-Qaeda’s heilige oorlog?

De historicus Efraim Karsh beantwoordt in Islamic Imperialism die vraag in het licht van de vroegere islamitische geschiedenis. Volgens hem is de hedendaagse jihad uiting van een islamitische nostalgie naar verloren imperiale glorie, naar het herstel van het kalifaat; het middeleeuwse islamitische rijk dat zich uitstrekte van de Atlantische tot de Indische oceaan. Karsh verwerpt met kracht de veelgehoorde verklaring dat het hedendaagse Midden-Oosten vooral het slachtoffer is van het westerse imperialisme. Hij benadrukt dat moslims zelf ook eeuwenlang hun eigen imperiale dromen hebben gekoesterd, en waar mogelijk botgevierd. Ook de aanslagen van 11 september gaven volgens hem uiting aan zulke imperiale nostalgie en ambitie. Hij geeft dus een meer politieke lezing van de aanslagen dan de aanhangers van de veelbesproken stelling van Samuel Huntington. Volgens hem zijn ze geen uiting van een ‘botsing van beschavingen’, maar van een ‘botsing van imperialismen’.

De morele implicatie van dit argument is duidelijk: volgens Karsh waren de moderne Britse, Franse en Amerikaanse vormen van imperialisme niet verwerpelijker dan de voormoderne islamitische. Islamitisch Spanje en het Ottomaanse rijk worden dikwijls voorgesteld als multi-etnische of multireligieuze paradijzen, maar volgens Karsh waren ze in werkelijkheid koloniale grootmachten, die vooral het niet-islamitische deel van hun bevolking zouden hebben uitgebuit en onderdrukt.

Het probleem met deze conclusie is dat Karsh het begrip ‘imperialisme’ wel erg ver oprekt. Elke politieke aspiratie die het lokale en tribale overstijgt, en zelfs religieus missiewerk, wordt bij hem tot een uiting van een – tijdloze en grenzeloze – islamitische imperiale droom. Zo geredeneerd zijn ook de programma’s van de Evangelische Omroep uitingen van een eeuwenoud christelijk imperialisme. Ook stelt hij het hedendaagse Arabische nationalisme voor als een maskering van eeuwenoude Arabisch-islamitische imperiale dromen. Maar daardoor vervaagt het belangrijke onderscheid tussen imperialisme en nationalisme. Karsh’ analyse ontneemt zo het zicht op wat er nieuw en bijzonder was aan het 19de- en 20ste-eeuwse imperialisme. Dat leidde niet alleen tot de invoeging van de islamitische wereld in de kapitalistische of liberale wereldeconomie, maar ook tot de vorming van moderne natiestaten met al hun nieuwe kenmerken; variërend van grondwetten en scholen tot veiligheidsdiensten.

Karsh biedt zo bij nadere beschouwing geen antwoord op de vraag hoe je de hedendaagse jihadretoriek moet duiden. Op het eerste gezicht lijkt die inderdaad het herstel van het kalifaat of een islamitisch imperium na te streven. Karsh beschouwt de aanslagen op 11 maart 2004 in Madrid als een vergeldingsactie voor het verlies van islamitisch Spanje, voor een deel omdat Bin Laden ooit zelf heeft gezegd: „We zullen nooit toestaan dat de tragedie van al-Andaloes [het verlies van islamitisch Spanje] wordt herhaald in Palestina.”

Maar bij nauwkeuriger lezing blijkt dat Bin Laden hier noch elders ooit serieus heeft voorgesteld om Spaans grondgebied te heroveren. Meer in het algemeen verraden zijn videoboodschappen geen concrete plannen voor de militaire verovering van Saoedi-Arabië – laat staan van Amerika – of zelfs maar enige belangstelling voor zoiets banaals als politieke macht. Voor zover Bin Ladens en andermans berichten uiting geven aan een droom van het herstel van het klassieke kalifaat, is dat geen politiek programma voor het bereiken van de wereldheerschappij, maar eerder, wat je zou kunnen noemen, een ethische utopie. Anders gezegd: de jihad van Al-Qaeda richt zich niet meer op een politiek territorium, maar op een moreel ‘landschap’, zoals de historicus Faisal Devji het noemt in zijn even scherpzinnige als suggestieve Landscapes of the Jihad.

Op het eerste gezicht lijkt zo’n argument paradoxaal of pervers. Hoe kunnen zulke barbaarse misdaden als de aanslagen van 11 september worden gedreven door een ethische overtuiging? Maar dat is volgens Devji precies wat uit Bin Ladens eigen woorden blijkt, wanneer hij bijvoorbeeld in een interview eind 2001 zegt: „Deze strijd gaat niet tussen Al-Qaeda en de Verenigde Staten; dit is een strijd van moslims tegen de wereldwijde kruisvaarders.” Met zulke uitspraken geeft Bin Laden, in de analyse van Devji, het politieke taalgebruik van staten en begrensde territoriale conflicten op – ten gunste van een vocabulaire van een tijdloze en grenzeloze confrontatie tussen goed en kwaad.

De kracht van Devji’s analyse schuilt vooral in zijn nauwkeurige en vaak verrassende lezing van de uitspraken van de woordvoerders van Al-Qaeda. Ook waar zijn conclusies onjuist of eenzijdig lijken, loont het de moeite om ze in overweging te nemen. Devji’s argumenten zijn duidelijk schatplichtig aan de Franse islamonderzoeker Olivier Roy, die in De geglobaliseerde islam heeft betoogd dat de hedendaagse jihad, anders dan de marxistische bevrijdingsbewegingen van eerdere decennia, zich niet langer richt op directe, plaatsgebonden doestellingen, maar veeleer op een virtuele moslimgemeenschap, zoals die gevormd is op het internet. Devji voert dit argument nog een stap verder. Volgens hem is het geweld van Al-Qaeda überhaupt niet gericht op concrete, laat staan haalbare, politieke doelen, en kan daarom ook niet in zuiver politieke termen worden begrepen of bestreden.

Dat impliceert dat de hedendaagse jihad in belangrijke opzichten radicaal nieuw is, ook – vooral – als ze zichzelf in tijdloze termen van een strijd tegen de kruisvaarders presenteert. De aanslagen van 11 september waren geen uiting van een eeuwig conflict tussen de islam en het Westen als zijn voornaamste tegenspeler. De aanslagen probeerden juist een gevoel van een algehele oorlog, ofwel van een botsing van beschavingen, te creëren.

Dat is de plegers aardig gelukt. De aanslagen zijn vaak als ‘filmisch’ gekenmerkt, maar je kunt ze specifieker omschrijven als een wereldwijde tv-commercial voor een mondiale jihad. Op de schokkende reclamestunt van 11 september volgde een heus marketingonderzoek, om te kijken of de naamsbekendheid vergroot was, en of het aangeboden product wel goed verkocht. Zie de in oktober 2001 gevonden videoband waarop Bin Laden trots verkondigt dat na de aanslagen de verkoop van korans en boeken over de islam wereldwijd explosief was gestegen, en dat in Nederland het aantal bekeringen snel was toegenomen. Hij was en bleef tenslotte een zakenman.

Devji werkt de parallel van Al-Qaeda met economische multinationals verder uit, maar benadrukt toch vooral de morele dimensie van de jihad. De islam is in deze optiek niet slechts een symbool van een in wezen politieke of economische strijd, maar de ethisch-religieuze kern van een beweging die zichzelf in politiek opzicht volkomen onmogelijke taken heeft gesteld. Devji betoogt met kracht, en niet helemaal ten onrechte, dat de liberale denkers die de islamitische wereld willen modelleren naar westers voorbeeld, een intellectueel stagnerende en maatschappelijk onbelangrijke groep zijn. Het ware vernieuwende elan ligt volgens hem bij groeperingen als Al-Qaeda. Die hebben de bestaande vormen van politiek en religieus gezag effectief ondermijnd en bieden radicaal nieuwe perspectieven op de toekomst van de islamitische wereld.

Volgens Devji is geweld daarvan slechts een oppervlakkig en waarschijnlijk voorbijgaand aspect. Dat – betwistbare – punt leidt hem tot de opmerkelijke conclusie dat het geweld van Al-Qaeda gemakkelijk in zijn tegendeel kan omslaan, juist omdat het ethisch is gemotiveerd en niet primair politieke of strategische doelen heeft. Het is niet ondenkbaar, suggereert hij, dat Bin Laden in de toekomst niet langer poseert met een AK-47 in zijn hand, maar naast Mahatma Gandhi’s spinnewiel; het symbool van geweldloosheid en economische kleinschaligheid. Die voorspelling is wel erg optimistisch, maar minder onzinnig dan ze lijkt. Tenslotte zijn ook het geweld en de aanhang van de Duitse Rote Armee Fraktion en de Italiaanse Rode Brigades in enkele decennia spoorloos verdwenen.

Een ernstiger probleem is dat Devji zich te eenzijdig richt op de morele dimensies van de hedendaagse jihad. Een primair moreel taalgebruik betekent niet per se dat er aan Al-Qaeda’s activiteiten helemaal geen strategische overwegingen te pas komen. In dat opzicht waren de aanslagen van 11 september bovendien wel degelijk succesvol. Bin Ladens verklaarde strategische doelen waren de terugtrekking van Amerikaanse troepen uit Saoedi-Arabië en het opheffen van het VN-embargo tegen Irak, dat volgens hem en vele anderen verantwoordelijk was voor de dood van meer dan een miljoen Iraakse burgers. Inderdaad brachten de Amerikanen in april 2003 geruisloos hun soldaten vanuit Saoedi-Arabië naar Irak, in de – achteraf ijdele – hoop het terrorisme zo de wind uit de zeilen te nemen. Ook Palestijnse zelfmoordaanslagen worden dikwijls gerechtvaardigd in religieuze termen van jihad, en in morele termen van vernedering en eergevoel. Maar tegelijkertijd hebben ze duidelijke strategisch doelen. De ethische en de strategische kanten van de nieuwe jihad zijn dus minder makkelijk te scheiden dan Devji suggereert. Dat neemt niet weg dat Devji een belangrijk punt heeft, namelijk dat de daadwerkelijke strategische doelen veel bescheidener zijn dan het wereldomspannende, religieuze taalgebruik van de nieuwe jihad suggereert.

Devji kent in zijn veelzijdige boek, dat voordurend tot nadenken aanzet, de activisten van Al-Qaeda een vergelijkbare rol toe als westerse niet-gouvernementele organisaties en multinationals. Alle vertegenwoordigen aspecten van globalisering. Dat wil zeggen: van een nieuwe internationale constellatie waarin de soevereine, nationale staat en politieke ideologie een steeds kleinere rol spelen. Volgens hem deelt Bin Ladens niet-politieke taalgebruik ook een belangrijk kenmerk met Huntingtons stelling van de botsende beschavingen: beide geven politieke noties van staat, burgerschap en vrijheid op ten gunste van veel vagere termen als eergevoel, cultuur, religie, ‘het Westen’ en ‘de islam’. De retoriek van een eeuwige vijandschap tussen moslims, joden en christenen neemt zo niet alleen afscheid van een liberale politieke orde die op rechten, vrijheid en sociale vrede steunt, maar zelfs van het hele idee van politieke conflicten, die hun basis hebben in concrete territoria en beperkte doeleinden. Misschien is dat wel de meest verontrustende suggestie van Devji’s boek. In zijn optiek verkondigen de aanslagen van 11 september dat het politieke liberalisme niet, zoals Francis Fukuyama dacht, het einde van de geschiedenis vertegenwoordigt, maar dat het politieke liberalisme zelf weleens een eindig historisch verschijnsel kan blijken te zijn.

Wilt u reageren? boeken@nrc.nl