‘War on terrorism’ bracht vooral anarchie en chaos

Aanstaande maandag is de tragedie nine eleven vijf jaar geleden. Dit is een goed moment om de balans op te maken. Het conflict tussen het Westen en de moslimwereld heeft zich inmiddels verspreid over vijf verschillende slagvelden.

De oorspronkelijke opzet af te rekenen met het internationale terrorisme dat de aanslagen op de Twin Towers en het Pentagon had opgeëist, is verzand in een reeks van gewelddadige en escalerende confrontaties waar onder de gegeven omstandigheden geen zicht is op een uitweg.

Al direct na de aanslagen zaaide de Amerikaanse regering verwarring door de afstraffing van het Talibaanregime in Afghanistan te plaatsen in de context van een wereldwijde war on terrorism. Aanvankelijk bestond voor een militair antwoord begrip. De Talibaan hadden bescherming geboden aan de terroristenorganisatie Al-Qaeda, haar leider Osama bin Laden had zijn sympathie voor de daders niet onder stoelen of banken gestoken. Toen het regime in Kabul weigerde met Al-Qaeda te breken werd militair optreden als een daad van zelfverdediging een geloofwaardige optie. Maar moest daarom de hele wereld tot oorlogsgebied worden verklaard?

Op enkele waarschuwende stemmen na werd hierover aanvankelijk niet moeilijk gedaan. Iets tot war verklaren – war on drugs, war on poverty – ging Amerikanen immers gemakkelijk af. Het was niet veel meer dan een metafoor die activisme moest suggereren.

De Talibaan losten onder het geweld van de clusterbommen op in het Afghaanse landschap, de internationale gemeenschap maakte een begin met de wederopbouw en de aangekondigde democratisering. De oorlog of wat er voor moest doorgaan scheen gewonnen.

Toen kwam de State of the Union-boodschap van begin 2002. Daarin lanceerde president Bush zijn doctrine van de preventieve oorlog en bestempelde hij drie landen, Irak, Iran en Noord-Korea, tot de axis of evil die preventief diende te worden aangepakt. De vergelijking met de As-mogendheden uit de Tweede Wereldoorlog (Duitsland, Japan en Italië) was niet toevallig. Sindsdien hamert Bush er op dat de wereld met vergelijkbare gevaren wordt geconfronteerd als in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw. Zijn bewindslieden zeggen het hem na. Onlangs nog vergeleek minister Rumsfeld critici van de Amerikaanse oorlogspolitiek met de Europese leiders die aan de vooravond van de Blitzkrieg Hitler trachtten te apaiseren.

Het volgende slagveld was Irak. Nine eleven kwam van pas. Washington beschuldigde Saddam Hussein ervan in de aanslagen de hand te hebben gehad, te werken aan verboden atoomprojecten en bereid te zijn terroristen van atoomwapens te voorzien.

Die beschuldiging was, gezien de verhoudingen in het Midden-Oosten en het jarenlang volgehouden toezicht door internationale inspecteurs, van het begin af bijzonder ongeloofwaardig – later bleek zij nergens op te berusten – maar Bush gebruikte haar om het Amerikaanse volk achter zijn invasieplannen te krijgen. Nu, ruim drie jaar na de inval, is Irak een broeinest van terroristen, wordt het land dagelijks geteisterd door bloedige aanslagen en gaat het ten gronde aan sektarische twisten. De zogenoemde democratisering is een mislukking, van wederopbouw is geen sprake.

De overhaaste invasie van Irak heeft ook nare gevolgen voor Afghanistan. Het ontbrak de Amerikanen aan voldoende mankracht om beide operaties tegelijkertijd tot een goed einde te brengen – aangenomen dat zoiets zondermeer tot de mogelijkheden behoorde. Dit jaar keerden de Talibaan met man en macht terug op het toneel. De NAVO, die was ingehuurd om de wederopbouw ter hand te nemen, voert nu een regelrechte oorlog tegen een vijand die door een groeiend aantal Afghanen als het mindere kwaad wordt gezien. Het geweld van de NAVO werkt averechts. In de bommenregen van de F-16’s gaat de geloofwaardigheid van de vredesmissie verloren.

Genoeg is genoeg, maar zo wordt in de hoofdsteden niet geredeneerd. In de Palestijnse gebieden hebben verkiezingen de fundamentalistische beweging Hamas aan de macht gebracht. Een succesvol experiment in democratie? Niet naar het Amerikaanse en Europese oordeel. Hamas is en blijft voor de hoofdsteden een club van terroristen die financieel, economisch en politiek mag en moet worden geïsoleerd.

De Gaza-strook en grote delen van Libanon hebben intussen ervaren wat het betekent wanneer de Israëlische bezetter zich terugtrekt. In Gaza opereert het Israëlische leger naar eigen goeddunken. Er wordt dagelijks naar hartelust gebombardeerd, geliquideerd en gearresteerd. In Libanon heeft de Israëlische luchtmacht het resultaat van jarenlange wederopbouw in het door burgeroorlog verwoeste land in een paar weken tijd met de grond gelijk gemaakt. Amerika gaf er zijn fiat aan. Europa keek werkeloos toe. Hezbollah, het doelwit, bestaat uit terroristen, is de dooddoener die alles rechtvaardigt.

Ten slotte Iran. Nog geen geweld, maar wel de dreiging ermee. Want de aangekondigde sancties, hoe spaarzaam ook toegepast, verplaatsen het vraagstuk alleen maar in de tijd. Zonder resultaat volgen zwaardere sancties. Bush heeft bij herhaling verklaard dat alle opties ter tafel blijven, gewapend optreden incluis. De andere direct betrokken landen, vier van de vijf permanente leden van de VN-Veiligheidsraad plus Duitsland, voelen weinig voor een militaire aanpak, maar steunen wel de eis dat Iran zijn nucleaire onderzoek stopt alvorens er onderhandeld wordt. Voor Iran betekent dit het bij voorbaat opgeven van het enige machtsmiddel waarover het land beschikt.

De lessen uit de Koude Oorlog leren dat diplomatieke kanalen onder alle omstandigheden open moeten blijven. Dus dienen er geen voorwaarden vooraf te worden gesteld. Vijf jaar toenemende chaos en anarchie heeft de war on terrorism ons gebracht. Het wordt tijd om van die metafoor afscheid te nemen.

J.H. Sampiemon is medewerker van NRC Handelsblad.