Vrouw Linsen

Elke Geurts is de eerste winnaar van de nieuwe verhalenwedstrijd ‘Duizend Woorden’. Elke maand publiceert de Achterpagina een winnend verhaal. Geurts leest haar verhaal vanavond voor in het radioprogramma ‘De Avonden’.

Illustratie Sieb Posthuma
Illustratie Sieb Posthuma Posthuma, Sieb

Ik hoopte dat mijn moeder zo snel mogelijk doodging. Maar ze was pas eind dertig.

„Vrouw Linsen hèt luus”, werd er over de moeder geroddeld. Mevrouw Linsen heeft luizen betekent dat als je normaal zou praten.

Het ouderlijk huis rook naar ouwe hond, oud frietvet en oude zweren.

De moeder waggelde als ze liep. Haar bovenbenen lagen open aan de binnenkant. Van het schuren. Haar dikke buik hing over. De vale overgooiers van de boerenbond zaten haar altijd te krap. De moeder was huisvrouw. Nog jong maar al kalend. Ze krabde continu aan de kale plekken. Als ze buitenshuis was ook. Gelukkig kwam ze al niet veel meer buiten. Ik deed alles.

De vader kon de schuine moppen die hem verteld werden nog wel onthouden. Dat was hun niveauverschil. Man Linsen was een lange magere pees en droeg blauwe overals, ook van de boerenbond. Waar hij ging, ging de hond. ’s Nachts lag hond Linsen tussen hen in.

Ik haatte mijn moeder allang. Sinds ik met denken begon en zij met rieken. Dat maakte voor haar niks uit. Dat begreep ze niet.

De dochter dresseerde haar moeder, de vader zijn hond. Ze probeerde haar de Nederlandse taal bij te brengen. Dat had ze beter bij de hond kunnen proberen.

„Wà hè’k dan fout gedaon?” Ze kon zo radeloos kijken met haar kleine lege ogen. Rood en schraal van het wrijven. ‘Mien kiend.’ Mijn kind bedoelde ze.

De dochter was haar alles. Haar enige kind. Ze was veertien. Ze deed het zo goed allemaal. De moeder adoreerde haar.

„Jij bent mijn moeder niet.”

„Worum nie?”

„Jij bent te lelijk en te dom. En te dik.”

De moeder begon te brullen. Dat wist de dochter. Deed ze altijd. Ze brulde als een klein kind dat gevallen was. Tot de vader haar kwam troosten. Daarna was de moeder alles weer vergeten.

„Ge hèt ow normaal te gedraage”, zei man Linsen.

„Ik versta alleen Nederlands.” Lachend vertrok de dochter naar boven. Naar haar kamer. De moeder was daar al jaren niet meer geweest omdat de dochter haar dat verboden had. In de spiegel zag de dochter het rode haar. Ze krabde kort.

„Ons Lisandra”, riep de vader boos onder aan de trap, „ge duut ow moeder verdriet.”

„Ons Lisandra”, fluisterde de dochter tot haar spiegelbeeld. De dochter ging haar koffer pakken. Zojuist had ze vrouw Linsen in de spiegel gezien, in plaats van mij.

Soms gaf de dochter vrouw Linsen een aai over haar kalende kop. Dat moest. Anders kreeg je demotivatie. Liever aaide ze hond Linsen. Terwijl dat beest altijd rook alsof hij net uit het riool kwam. Dat kwam hij ook.

„D’n hond vrèt stront.”

Man Linsen moest erg lachen toen de hond blij tegen hem opsprong en in zijn gezicht likte. Dat had de vader niet in de gaten. Het verband. De aanwezigheid van beide ouders stagneerde haar ontwikkeling.

Als ze vandaag niet dood neerviel, dat viel ze vast niet, dan moest ik vandaag vertrekken.

Er was hoop. De moeder had zich vanmorgen, heel vroeg al, aan het aanrecht vast moeten grijpen om niet te vallen. Ze gaf bloed op, een afwasteil vol.

Zoals elke zondag zette man Linsen een groen jagershoedje op met een veer en kamde vrouw Linsen haar dunne rode haar naar achteren. De dochter deed alles buiten de deur maar mocht niet voor de moeder naar de kerk gaan.

„Ik kan God toch vertellen”, dramde ze door, „dat ik jouw zaakwaarnemer ben.”

Dat woord begreep ze niet. Daarom zei ze het ook.

„Ik haol de kèrk nog wèl”, hijgde de moeder.

„Het is voor God ook niet leuk om steeds met zijn mislukking geconfronteerd te worden.” Vrouw Linsen keek haar aan. Op het gezicht kon de dochter het kwartje langzaam zien vallen. Ting.

Man Linsen en de hond stonden al bij de deur. De hond had ook een groen jagershoedje. Dat was lachen.

„Ik goi niet.”

„Wa?” vroeg man Linsen.

„Ik zie te muuj.”

„Ik ga wel voor jou, moeder”, zei de dochter lieflijk, „ga jij maar rusten.”

Ze aaide de moeder kort.

„Och, ons Lisandra”, zei de moeder blij, „mien kiend.”

De zondag verliep boven verwachting goed. Toen de dochter naast de vader op de houten bankjes zat en het hele dorp hen begluurde, blies een paar huizen verderop de moeder haar laatste adem uit. In de kamer van de dochter.

Ze lag naast de ingepakte koffer. Al koel. De dikke rode benen waren wijd gespreid, haar zondagse overgooier omhoog gekropen. De dochter trok hard maar kreeg de stof niet over de verstijfde heupen heen. Nu het hoofd zo geknakt lag, zag ze dat de kale plekken flink zweerden. Dat had ze al die jaren geroken.

„Mien moeke”, zei de dochter na een tijdje. Mijn moeder bedoelde ik.

Hierna pas riep ze man en hond Linsen erbij.

Na de begrafenis leefden de vader en de hond gewoon verder. Ze gingen elke zondag met z’n drieën naar de kerk. De hond sliep tussen ons in.

„Vrouw Linsen hèt luus”, werd er over mij geroddeld.

Ik hoopte dat ze zo snel mogelijk doodging. Maar ze was nog niet zover.