Voor kerst wil ik een ijstijd

Yves Petry Foto Stefan Vanfleteren
Yves Petry Foto Stefan Vanfleteren Vanfleteren, Stephan

Yves Petry: De achterblijver. De Bezige Bij, 290 blz. €18,90.

‘Had heel Rome maar één hals! verzuchtte keizer Caligula. Dan kon je met één simpele houw de hele stad ontvolken.’

Aldus de hoofdpersoon van De achterblijver, de vierde roman van de Vlaming Yves Petry (1967). Wie bovenstaande anekdote van de Romeinse geschiedschrijver Suetonius instemmend citeert, heeft niet bepaald het beste met de mensheid voor. En inderdaad: Gram Goetleven, een alleenstaand homoseksueel die leeft voor zijn werk bij het Amerikaanse biotechnologiebedrijf Carnitec, verkeert niet alleen in onmin met zijn vader, zijn moeder en haar minnaar, zijn collega’s en iedereen die dom en lelijk is; hij haat de hele mensheid. Hij kan dan ook niet wachten tot zijn enige idool, Dr. Benjamin Miami van Carnitec, de ontwikkeling perfectioneert van een supermachine (‘Baby’) die de mens overbodig zal maken. ‘De toekomst zal een toekomst zonder vaders zijn en bijgevolg een toekomst zonder kinderen. Het zal een millennium worden van pure intelligentie.’

Het enig kind Gram heeft zeker reden om te verlangen naar een toekomst zonder vaders. Zijn eigen vader is net gestorven, na een periode van manische gekte die het gevolg bleek van een syfilisbesmetting. En omdat zijn moeder haar man niet zo lang daarvoor had verlaten voor een jongere minnaar, waren de voorgaande maanden weinig opwekkend. Hij moest de onsmakelijke verhalen over vaders sekstripjes naar Cuba en de virtual reality aanhoren (‘Grieten! Man! Met zulke tieten!’); hij moest opdraaien voor de reparatiewoede van de gepensioneerd ingenieur (‘als die verdomde apparaten niet leven willen dan zal ik, Zak Goetleven, ze wel eens doen leven’); en hij moest de oude man een nette crematie geven in de week vóór een belangrijk congres in Texas.

Gram vertelt zijn verhaal de dag na de uitvaart, op het vliegveld en tijdens de reis naar Amerika – in een innerlijke monoloog vol uitweidingen, terugblikken en commentaar op de onleefbaarheid van de moderne wereld. Zijn humeur is al tot het nulpunt gedaald omdat zijn aangekondigde reisgenoot Dr. Miami is vervangen door een collega die haar naam – Valeria Bitschkowa – meer dan waarmaakt. Maar Dr Bitschkowa heeft nog een andere, onaangenamere verrassing in petto. Dr Miami blijkt tijdens Grams verlof bij Carnitec gewipt te zijn, omdat hij té technocratisch werd bevonden. Zijn afkeer van de meeste vormen van ‘persoonlijk leven’ en zijn pleidooi voor een technologie ‘die de mens de mond snoert’ deed het slecht in de media. Gram moet vrezen voor zijn eigen positie, en de supermachine ‘Baby’ (het ‘kind dat ons achterblijvers tot ware volwassenheid zal dwingen’) zal nooit volmaakt worden.

Yves Petry is een schrijver die de literatuur beoefent zoals een wielrenner de sur place. Eigenlijk gebeurt er weinig in De achterblijver – of liever, zo lijkt het, want de barokke manier van vertellen van de hoofdpersoon en zijn voorliefde voor uitgesponnen herinneringen brengen het verhaal meermaals tot stilstand. Zoiets hoeft geen bezwaar te zijn, als de verteller geestig is en mooie zinnen spreekt, en als hij een memorabele karakterontwikkeling doormaakt (zoals bijvoorbeeld in Europa en Destiny van de Britse schrijver Tim Parks, waaraan De achterblijver doet denken). Over het eerste heb je bij Petry niets te klagen; zijn roman wemelt van de gaaf gestileerde passages, die de ene keer melancholieke ernst uitstralen en de andere keer pure slapstick. Bovendien is hij goed in de humoristische oneliner: Dr Bitschkowa gedraagt zich alsof ze ‘een maliënkolder van Y-chromosomen’ aanheeft; de misantropische Gram ziet een ijstijd als ‘het mooiste kerstcadeau dat ik me kon wensen’; en als enig kind van twee enig kinderen is hij ‘zuinig op zijn genen’.

Maar ondanks de humor, de subtiele verwijzingen naar zijn eerdere romans en het stilistische vuurwerk waarop Petry de lezer bij vlagen trakteert, merkte ik dat ik moest worstelen om het boek uit te krijgen. En eenmaal bij het slot aangeland, was ik teleurgesteld. Was dit alles? Een verhaal dat op niets uitloopt. Een onuitstaanbare hoofdpersoon die niet wezenlijk verandert – en ook niet sympathieker wordt in de ogen van de lezer. Een op het eerste gezicht hip en interessant thema (de gevaren van de biotechnologie) dat nauwelijks wordt uitgewerkt. Kortom een roman die veelbelovend was, maar die, om het in Grams eigen woorden te zeggen, ‘als ongebonden damp en vrije warmte zomaar verloren ging in een heelal dat uit zichzelf al tot entropie geneigd was.’