Terugbellen

Een vriendin van ons maakte een nogal onrustige indruk toen ze onlangs op bezoek was. Veel opstaan, drentelen en sigaretjes roken op het balkon. En vooral: op haar mobieltje turen.

„Is er wat?” wilde ik al vragen, maar meteen slikte ik de vraag weer in. Misschien was er wel zó veel dat er geen beginnen aan was.

Ze leek net even tot rust gekomen op de bank toen haar mobieltje, dat ze naast zich had gelegd, kreunende geluiden maakte. Ze veerde op en riep: „Daar heb je hem weer.” Vervolgens liep ze met haar mobieltje naar de gang. Toen ze enkele minuten later terugkwam, zag ze er bleek en bezorgd uit.

„Hij blijft maar bezig”, zei ze.

„Wie is hij, als ik vragen mag”, mocht ik van mezelf vragen.

„Die kerel. Hij laat me niet met rust. Hij is nu al twee dagen bezig.”

En ze begon te vertellen. Hoe ze op een morgen een lage mannenstem op haar voicemail aantrof, die om vier uur in de nacht had gezegd: „Schat, hier ben ik weer. Wil je me straks even terugbellen?” Zijn telefoonnummer kwam haar even onbekend voor als zijn stem.

„Dat weet je zeker”, onderbrak ik haar, „het kan niet een of andere vriend van een poosje geleden zijn?”

Een nogal impertinente vraag, want hij suggereerde een losse levensstijl die niet de hare is.

„Welnee”, zei ze, „ik wist meteen dat ik die kerel niet kende.”

De telefoontjes hielden aan. Toon en inhoud van de ingesproken boodschappen wonnen zelfs nog aan tederheid. De laatste kende ze uit haar hoofd: „Kindje, bel! Je maakt me radeloos.”

„Als het maar geen stalker is”, zei ze.

„Het is in ieder geval een talker”, zei ik, ad rem als een columnist.

Ze grinnikte plichtmatig en duwde haar mobieltje onder mijn neus. „Moet je lezen wat ie nou weer sms’t.”

Ik las: „Alles goed? Je weet tog nog wie ik ben? Die lange man. Zaterdagavond. Ik vroeg tog je nummer. Wil je x afspreken. Kus je, Eddie.”

„Het zegt je niks?” vroeg ik.

„Welnee”, zei ze, „maar er begint me iets te dagen. Ik denk dat hij door een vrouw bedonderd is. Om van hem af te komen heeft ze in een café een willekeurig 06 nummer opgegeven, en dat is toevallig mijn nummer.”

Het leek me een aannemelijke theorie, maar hoe kwamen we erachter of ze klopte? Gewoon terugbellen, was mijn voorstel. Maar daarvoor deinsde onze vriendin terug, ze voorzag een gênant gesprekje met een afgewezen minnaar.

„Laat mij het maar doen”, zei ik ten slotte, ridder zonder vrees of blaam, maar liever per mobiel dan te paard. Ik wendde me af en toetste het nummer in.

„Ja...”, klonk een lage mannenstem. Het was hem.

Ik legde hem in tactvolle bewoordingen ‘het misverstand’ uit. Misverstand – wat een volmaakt multifunctioneel woord is dat toch. De man onderbrak me niet, het was alsof ik mijn woorden in een diepe put uitstortte, waar alleen een verdwaalde rat zat te luisteren.

„Bent u daar nog?” vroeg ik.

Tuut-tuut-tuut, zei de put.

„Hij heeft het begrepen”, zei ik tegen de vriendin.

Ze knikte. Stilzwijgend besloten we dat er eigenlijk niets te lachen viel.