Smachten is het halve werk

In zijn nieuwe roman schildert Tom Lanoye de zinloosheid van het moderne leven in België. Helaas wil de geest van Kafka maar niet uit de fles komen.

Tom Lanoye: Het derde huwelijk. Prometheus, 337 blz. € 19,95

Het is niet fair tegenvallende romans af te zetten tegen meesterwerken die er op een of andere manier aan verwant zijn, maar Tom Lanoye vraagt erom door zijn opzichtige spel met literaire voorbeelden. Zijn in 2002 voltooide trilogie Het goddelijke monster, Zwarte tranen en Boze tongen was een nauwelijks verhulde poging Het verdriet van België te ‘updaten’, maar kon de vergelijking met deze klassieker van Hugo Claus niet doorstaan.

Zijn nieuwste roman Het derde huwelijk is van de eerste tot en met de laatste bladzij een allusie op De asielzoeker van Arnon Grunberg. Verhaal, stijl en strekking van Lanoyes Antwerpse realitysoap verwijzen zo nadrukkelijk naar Grunbergs tragedie over Christian Beck wiens doodzieke vriendin op de valreep met een Algerijnse asielzoeker trouwt, dat er van opzet sprake moet zijn.

Jatwerk kun je het niet noemen, want Lanoye neemt geen formuleringen van Grunberg over en draait alles een kwartslag of meer. De asielzoeker in Het derde huwelijk is een oogverblindende zwarte Afrikaanse die door haar Vlaamse ‘verloofde’ wordt uitgehuwelijkt aan de homoseksuele aids- of kankerpatiënt Maarten Seebregs. De bedoeling is dat zij door te trouwen de Belgische nationaliteit verkrijgt, vervolgens weduwe wordt of scheidt en dan ter beschikking komt van de man die het schijnhuwelijk heeft gearrangeerd. Zelf kan deze figuur niet met haar trouwen omdat hij zich na twee huwelijken met uitheemse dames in de kijker van de Dienst Vreemdelingenzaken heeft gespeeld. Hij biedt de bijna 60-jarige Maarten zijn aanstaande bruid aan met de woorden: ‘Je trouwt met haar, je woont met haar, je leeft met haar. Maar raak haar aan en ik sla je morsdood.’

Die waarschuwing lijkt overbodig. De beoogde bruidegom rouwt om de overleden liefde van zijn leven en is niet geïnteresseerd in vrouwelijk schoon. De enige reden om een huwelijk met de Afrikaanse Tamara te sluiten is geld. Dat hij de eerste maanden voortdurend wordt lastig gevallen door het angstaanjagende koppel Karel en Jenny van de Dienst Vreemdelingenzaken neemt hij op de koop toe.

Platonisch

Na vele ergernissen te hebben overwonnen wordt Tamara zijn wettige echtgenote en merkt Maarten dat hij genoegen schept in hun platonische relatie. Hij voelt zelfs jaloezie als zijn vrouw – precies als in Grunbergs roman – op haar beurt een uitgeprocedeerde asielzoeker in huis haalt.

Tot zover het verhaal, dat Lanoye als kapstok gebruikt om zijn aan Céline (en Grunberg) verwante nihilisme aan op te hangen. Een nihilisme dat echter bij Lanoye eerder als dekmantel dient voor een nogal platgeslagen vorm van maatschappijkritiek.

Uitbundig schildert hij de zinloosheid van het moderne leven in België, maar de tomeloze overdrijvingen wekken noch hilariteit noch beklemming op. Karel en Jenny van de Vreemdelingendienst dragen de voornamen van het echtpaar Marx, en hun overval- en spionagepraktijken moeten kennelijk verwijzen naar Stasi-achtige activiteiten. Helaas wil de geest van Kafka maar niet uit de fles komen: het optreden van de twee vreemdelingenjagers is te kolderiek om bedreigend te zijn. Hetzelfde geldt voor Lanoyes beschrijving van het verpleeghuis waar de vader van Maarten zijn laatste dagen slijt, en voor het asielzoekerscentrum aan de kust dat vroeger gebruikt werd als vakantieoord voor arbeiderskinderen. Ook zijn aanklacht tegen de filmbusiness, die Maarten na jaren trouwe dienst als ‘locatiescout’ rücksichtslos aan de dijk zet is één groot cliché.

Pas als je de aaneenschakeling van ruwe scènes waaruit de roman is opgebouwd de revue hebt laten passeren en in het laatste ‘shot’ de boel min of meer wordt gemonteerd, blijkt dat de clichés een functie hebben. Ze dienen om ons in te peperen hoe banaal onze westerse levens zijn. Net zomin als De asielzoeker van Grunberg heeft Het derde huwelijk het lot van vreemdelingen en andere slachtoffers van de afkalvende verzorgingsstaat tot onderwerp. Het eigenlijke thema is desintegratie, niet alleen van een maatschappij, een stad, een gemeenschap of een familie waarin iedereen dader en slachtoffer, bedrieger en bedrogene is, maar ook en vooral de desintegratie van individuen. De ontslagen locatiescout Maarten Seebregs bestaat uit verknipte beelden, gefilmd op locaties die hij met zorg heeft uitgekozen. Bij alles wat hij doet en denkt vraagt hij zich af wat de beste ‘setting’ is voor de scène waarin hij belandt. Als hij daar niet uitkomt, omdat zelfs hij af en toe ervaringen heeft die niet te filmen zijn, verzucht hij: ‘Op sommige momenten is je leven gewoon beter dan om het even welke film.’

De man kan niet bestaan buiten de door films en video’s aan hem opgedrongen gemeenplaatsen en dus wordt zijn bestaan zélf een gemeenplaats waarvan de beschrijving alleen de flauwe klucht oplevert. Op zich is het een interessant en ook wel gewaagd experiment om een personage dat op die manier in het leven staat van binnenuit te beschrijven, maar omdat taalgebruik en denkvermogen van zo’n personage bijna per definitie beperkt zijn, gaat de roman onvermijdelijk ten onder aan armzalige krompraat. Behalve wanneer hij bezig is met een ‘pijpzetting’ of zichzelf ‘een pijp laat zetten’ in een stadspark, neemt Maarten op vrijwel iedere bladzijde de woordjes ‘zeg maar’ in de mond.

Aforismen

Of Lanoye zich heeft gerealiseerd dat de platitudes waarin een oninteressante romanpersoon denkt en spreekt moeilijk geslaagde literatuur kunnen opleveren, valt te betwijfelen. Hij schijnt de overpeinzingen van zijn hoofdpersoon tamelijk briljant te vinden. De aforismen waarmee de roman is doorspekt, lijken bedoeld als spitsvondigheden, maar missen originaliteit en scherpte. ‘Selectie is beschaving omgezet in dadendrang’. ‘Smachten is het halve werk. De rest van vrijen is labeur.’

De ergernis die de hoofdpersoon bij mij oproept projecteert Maarten op Tamara. ‘Ze is waar ze naar kijkt’, denkt hij over haar. En waar kijkt ze naar? Naar Big Brother en derderangs films waarvan de voertaal ‘belabberd en inspiratieloos Amerikaans’ is. Zelf spreekt hij intussen belabberd Vlaams, en net als Tamara is hij ‘aangestoken en aangetrokken door visueel vuilnis dat zij hield voor het leven zelf’.

Het einde van Het derde huwelijk is bijna identiek aan dat van De asielzoeker, maar met één cruciaal verschil. Grunbergs hoofdpersoon Beck is alles kwijt wat hem dierbaar was en wendt krankzinnigheid voor. Wachtend op het verpleegkundig personeel dat hem zal komen halen, wordt zijn haar, zijn mond, zijn neus, zijn hele lichaam, nat van de regen. Maar hij blijft kijken en ziet dan eindelijk ‘alles wat hij heeft verloren’. Maarten Seebregs loopt na zijn déconfiture de zee in. Wanneer het water hem bijna heeft verzwolgen trekt – zoals het cliché wil – zijn leven als een film aan hem voorbij. Ook hij blijft kijken. Hij ziet echter niet wat hij heeft verloren, maar alleen wat hij aan emotieloze scènes bijeen heeft ‘gescout’. Cynisch genoeg vindt hij het nog een waardeloze film ook. ‘Van die goede regisseur die me beloofd was merk ik weinig. De montage kon een stuk beter.’

Genadelozer dan Maartens mening over de ‘kortfilm’ van zijn leven kan ik mijn oordeel over het script dat er in de vorm van deze roman aan ten grondslag ligt niet formuleren. Lanoye mag een begenadigd theatermaker en dichter zijn, die heftig en opwindend kan vlammen, het vuur dat hij als romanschrijver ontsteekt is niet meer dan een flakkerend dwaallicht.