Schilderen als een architect op een lsd-trip

In Nederland zouden we zeggen: typisch geval van adhd. Maar in Hongarije wordt een ‘druk baasje’ nog niet meteen gemedicaliseerd. Kom je hier bij de mensen binnenvallen met veel kabaal en felle handgebaren, struikelend over je woorden, en met een heilig vuur dat uit je oogkassen vlamt – de doorgaans flegmatieke Hongaar vindt het allemaal prachtig.

Met die overdosis aan energie maakte de Nederlandse kunstenaar Jurriaan Molenaar in juni zijn entree in de Hongaarse hoofdstad Boedapest. En met net zoveel rumoer vertrekt hij deze week, een verzameling fonkelnieuwe schilderijen achterlatend waarmee hij de ogen van menig Hongaarse kunstenaar uitsteekt. Waar een gemiddeld schilder twee jaar voor nodig heeft, deed Molenaar in een zomer.

De meeste dagen liep de temperatuur op naar 35 graden, en de Hongaren lagen voor pampus aan het Balatonmeer. Maar ergens in het hart van de stad stond Molenaar te zwoegen, in korte broek en ontbloot bovenlijf. Grote smile op z’n gezicht. Een halve liter Dreher-bier binnen handbereik. Het is werk, maar het moet wel leuk blijven. „Ik ben verliefd geworden op deze stad”, zegt Molenaar (38), terwijl hij in zijn atelier schilderij nummer zestien van de muur haalt. „Klaar.”

Met zijn vrouw en twee kinderen arriveerde Molenaar deze zomer in Boedapest, op uitnodiging van János Szoboszlai, eigenaar van de gerenommeerde galerie ACB. Szoboszlai organiseerde een uitwisseling: de best verkopende Hongaarse schilder in zijn stal, Attila Szücs, kreeg de sleutel van Molenaars atelier in Nederland. En vice versa. „Bij aankomst keek ik mijn ogen uit”, zegt Molenaar, wiens werk is geïnspireerd door twintigste-eeuwse architectuur. „Het eerste Hongaarse contact was met een meisje om de hoek van ons logeeradres. Of ik ‘szex’ wilde, voor vijf euro.”

Een week na aankomst had hij vijf feesten afgelopen, tientallen visitekaartjes op zak en kende hij de mensen-aan-de-knoppen in de Boedapestse scene. „In Amsterdam zou ik daar vijftien jaar voor nodig hebben gehad. Hier is iedereen op zoek, naar werk, naar inspiratie, naar een identiteit. Dat geeft vleugels.”

In het verleden leerde hij in Rusland iconen schilderen, doolde een jaar door Israël en verbleef een paar jaar in New York. Een balkon, een venster of een lege fabriekshal, waar ook ter wereld, kan als inspiratiebron dienen voor zijn schilderijen. Verzamelaars van zijn werk houden het op een mengeling van Mondriaan en Escher. Molenaar zelf ziet het anders. „Bij Escher is het spel met perspectieven eerder een grap, een rebus. Ik zit ook te meten, trek strakke lijnen, ik heb nagedacht over de logica, of het ontbreken daarvan. Maar allereerst wil ik een mysterie oproepen. Een goed kunstwerk verbergt meer dan het laat zien.”

Molenaar schildert als een architect die een lsd-trip maakt. Even wonderlijk als lucide, en niet begrensd door strenge architectonische keurmeesters uit welstandscommissies. „In mijn ‘gebouwen’ krijgt de ‘bezoeker’ de stilte en ruimte cadeau. Architectuur is niet veel meer dan muren en gaten. Maar een muur heeft een dubbele psychologische lading: hij isoleert je, en biedt ook bescherming. Met een gat net zo: je kunt er doorheen gluren, maar ook bekeken worden. Dat alles wil ik in mijn werk tonen.”

Op zondagochtend heeft Molenaar een feestje voor zijn jarige zoon Simon georganiseerd, in het stadspark om de hoek. Verderop bouwen Roma (zigeuners) uit de buurt een gammele kermis op. Molenaar serveert worst en wijn uit de koelbox, de kinderen joelen op het klimrek. „We hebben Simon meteen naar een schooltje gestuurd, de Habakukk. Dat bleek een gouden greep, want de papa’s van de andere kinderen bleken stuk voor stuk puissant rijk. De Hongaarse nouveau riche. Die willen allemaal wel iets met kunst.” Molenaar heeft de voltallige Habakukk-clan uitgenodigd om naar de galerie van zijn gastheer Szoboszlai te komen. „De markt voor galeriehouders hier stelt nog weinig voor. Nu trek ik die mensen misschien over de streep.”

Op de avond van de opening van Molenaars expositie staat János Szoboszlai te glunderen. Behalve de rijke Habakukk-papa’s is het neusje van de zalm van kunstminnend Boedapest aanwezig.

‘Ablakok’, Hongaars voor ‘vensters’, heeft Molenaar zijn expositie genoemd. Rond de buffettafel met flessen perenbrandewijn staat de Hongaarse crew van een film waarin Molenaar een gastrolletje heeft gespeeld. „Dat was ik nog vergeten te melden, ja. En ik heb in Boedapest ook nog mijn volgende expositie in Los Angeles voorbereid.” Twee vuurtjes branden in zijn oogkassen.

Attila Szücs is inmiddels terug in Boedapest. Al die maanden zat hij in Molenaars atelier in Nederland en leefde er als een monnik. Over een paar dagen kan Szücs zijn eigen, vertrouwde atelier weer in. Dan is Molenaar vertrokken, en schokt Boedapest nog even na.