Nerveus in Frankfurt

Andreas Maier: Kirillov. Uit het Duits vertaald door Annemarie Vlaming. Ambo, 278 blz. € 22,95

Ambitie en pretentie kunnen de Duitse schrijver Andreas Maier (1967) niet worden ontzegd. Zes jaar geleden debuteerde hij sterk met Wäldchestag, een bijna geheel in de conjunctief geschreven roman over de uiteenlopende manieren waarop een plattelandsgemeenschap reageert op de dood van een dorpsgek. Taalkritiek en filosofie spelen ook een belangrijke rol in Maiers tweede roman Klausen (2002). Zijn nu vertaalde roman Kirillov, vorig jaar in Duitsland verschenen, refereert in de titel aan Dostojevski: Kirillov is de twijfelende ingenieur en zelfmoordenaar uit De demonen.

De roman is gegroepeerd rond een stel jonge, chaotische intellectuelen aan de universiteit van Frankfurt. Julian Nagel, de zoon van een bekende politicus, en zijn vriend Frank Kober zijn de twee belangrijkste figuren. Nagel is een rasechte provocateur, hij heeft ‘dat doordringende over zich, dat niets en niemand met rust willen laten.’ Hij is van mening dat het leven zich grotendeels ‘op drijfzand’ afspeelt en dat zelfmoord de enige echt zinvolle daad is.

De wat oudere Kober lijkt iets gematigder, maar uitgerekend op het verjaardagsfeest van Nagels vader snijdt hij zich om onverklaarbare redenen in de arm; de zelfverminking heeft hij afgekeken van Kirillov, op wie hij zo sterk lijkt dat hij zijn ‘dubbelganger’ wordt genoemd.

Andreas Maiers derde roman begint sterk met een satirisch hoofdstuk waarin de buren van Frank Kober hun uiteenlopende visies op deze zonderling ten beste geven – de waarheid is zwevend lijkt de centrale boodschap van de schrijver. Maar daarna volgt een aantal zwakke fragmenten. Maier vertelt veel te wijdlopig, en de ellenlange discussies over thema’s als ‘het nut en nadeel van de democratie’ of ‘de zin en zinloosheid van verzet’ (van handeling is veel minder sprake) lopen op niets uit. Maiers personages zijn ‘uiterst nerveus’, hebben ‘een neiging tot agiteren’ of verkeren ‘in uiterste staat van opwinding’. Helaas weet de schrijver hun pathos nergens geloofwaardig te maken, zoals hij ook de diepgang die hij suggereert – de ondertitel luidt ‘Of de zin van het bestaan’ – niet aannemelijk weet te maken.

Pas tegen het slot volgt weer een sterker fragment. De Frankfurtse bohémiens bekommeren zich om het lot van een eenzame kankerpatiënte. Maar zelfs in zijn betere delen is de stijl van Kirillov clichématig. Het was geen wijs besluit om Andreas Maier met zijn zwakste roman in het Nederlandse taalgebied te introduceren.