Laat Nederland spelen

In zijn rede ‘De staat van het Theater’, die het CS vorige week publiceerde, ontvouwde regisseur Ivo van Hove een negenstappenplan om het Nederlandse theater uit het slop te halen. Een keuze uit de reacties.

1.Meer opleidingen

Het plan ter verbetering van het theater in Nederland van Ivo ten Hove bevat interessante voorstellen, maar zijn ideeën over de opleidingen verdienen heroverweging.

Duizenden enthousiaste jongeren staan te trappelen voor de deuren van de theateropleidingen. Dat is een teken dat theater leeft, al vertaalt dat zich nog niet altijd in volle zalen. Die belangstelling is verklaarbaar: de moderne samenleving is vol van activiteiten die op een of andere manier gerelateerd zijn aan theater. Hoe gecompliceerder de samenleving, des te groter lijkt de behoefte om de werkelijkheid door theatraal spel te ordenen. Daarom kijken miljarden wereldburgers naar tv-soaps. Daarom worden werknemers in bedrijven door acteurs getraind in gesimuleerde situaties. En daarom hebben tienduizenden Nederlanders toneel als hobby. De wereld kan niet zonder theater.

De wereld schreeuwt om drama, en wat doet het gevestigde theater? Dat trekt zich terug achter een slotgracht en veroordeelt alles wat van buiten komt. Vandaar het pleidooi alleen ‘echt talent’ toe te laten op de toneelscholen en het aantal afgestudeerden te beperken. Er is nu een groot tekort aan goed opgeleide allochtone acteurs, dus spelen acteurs zonder opleiding in soaps. En er zijn regio’s waar ook te weinig autochtone acteurs zijn. Bovendien kan een acteur niet alleen van waarde zijn in het theater, maar ook in andere werkvelden. Steeds meer jongeren volgen meer dan één opleiding en in de kenniseconomie waar we naar streven gaat creativiteit een steeds grotere rol spelen.

Maar hoe lossen we dan Van Hove’s probleem op: hoe moeten we het toptalent ontdekken, selecteren en opleiden? Heel simpel: omarm het enthousiasme om ‘iets met theater te gaan doen’, omarm al die nieuwe opleidingen. Laat Nederland spelen. En ga kijken, zoals de voetbalscouts langs de voetbalvelden dat doen. Kies dan het ware toptalent voor het grote toneel en breng dat naar een op te richten masters opleiding.

Is dat zielig voor de velen die een bachelors toneelopleiding op mbo of hbo niveau volgen? Nee. Mits deze opleidingen binding met de samenleving houden, voorspel ik een mooie toekomst voor veel van deze studenten in andere (theater) beroepen.

Jos Thie Theaterregisseur. In 2007 voert hij de artistieke leiding over het festival Oerol op Terschelling

2. Hansje Brinkers

Dat de vernieuwing door Actie Tomaat uiteindelijk weer tot verstarring in het toneelbestel leidde is een juiste constateringen van Ivo van Hove. Zijn negen-puntenplan draagt bij aan het doorbreken van vastgeroeste patronen. Maar het willen indammen van de kunstopleidingen is niet realistisch. Regio’s, steden en hogescholen willen hun eigen kunstopleidingen, en laten zich die niet ontnemen. Ook ontwikkelt zich nu nog een nieuw aanbod aan opleidingen, bijvoorbeeld op MBO-niveau. En er zijn de zogenoemde aangewezen opleidingen – wel erkend, maar niet bekostigd door de overheid – plus het particuliere aanbod. Sommige kunstenaars zijn zelfs autodidact. Wil men een wettelijk verbod? Een Rijkskeurmerk voor de kunstenaar? Wie een halt wil toeroepen aan het aantal acteurs, beeldend kunstenaars, musici en filmmakers lijkt op een Hansje Brinker voor een openstaande stormvloedkering.

Het is niet realistisch alleen toptalent toe te laten. Ons onderwijs ontwikkelt zich in de richting van het Angelsaksische model. Het biedt majors en minors en het geeft studenten theoretisch de mogelijkheid om bijvoorbeeld vioolstudie en rechten te combineren. Dit sluit een specialistisch circuit voor toptalent niet uit. Maar kunstenaars moeten breder inzetbaar zijn dan alleen op het hoogste podium. Acteurs verdienen hun brood ook in soaps, commercials, onderwijs en op andere manieren.

Er is een grote groep kunstenaars in Nederland die nooit een, zoals Van Hove het formuleert, ‘doorslaggevend succes maken’, maar die wel professioneel zijn, gewaardeerd worden en genoegen nemen met een bescheiden positie en inkomen. Een deel van hen krijgt tijdelijke, beperkte overheidssteun. Anderen hebben een gemengde beroepspraktijk, desnoods met een schoonmaakbaantje. Hun vakbroeders met meer succes zouden niet op hen moeten neerkijken, omdat zij juist de aanjagers zijn voor die niet-materialistische en niet-statusgerichte samenleving waarin ook de ‘hoge kunsten’ het best gedijen. Deze benadering geeft alle ruimte voor de strenge criteria die Van Hove voorstaat. Kwaliteit en/of de markt zullen immers beslissend zijn. Er kunnen misschien wel duizend bloemen bloeien, maar dan op uiteenlopende velden en veldjes. Artistieke leiders als Ivo van Hove hoeven geen dijken op te werpen tegen de al dan niet wassende stroom, ze moeten er in gaan staan en hun keuzes maken, gericht op kwaliteit, maar ook op een breed en veelzijdig aanbod.

Erik Akkermans Adviseur bij BMC en voormalig directeur in het kunstvakonderwijs.

3. Karikatuur

Van Hove had het ondermeer over de vele succesloze theatermakers die op hun 35-ste lopen te klagen dat ze niet door kunnen stromen. Ik vind dat een karikatuur van de werkelijkheid.

Ik sprak Ivo van Hove na zijn toespraak aan en hij verzekerde mij dat hij niet doelde op theatergroepen van de generatie van Dood Paard, de groep waarbij ik zelf betrokken ben. Die groepen kwamen voort uit een innerlijke noodzaak, zei hij, en die zijn van het grootste belang in het bestel. Hij doelde kennelijk meer op de daarop volgende generatie, maar in zijn toespraak werd dat niet duidelijk.

Ik vind dat zorgvuldig moet worden omgesprongen met de erfenis van de Actie Tomaat. Het is duidelijk dat bij groepen als Dood Paard, het Barre land, of de later opgerichte clubs als Monk en Mighty Society steeds opnieuw interessante theatermakers opduiken. Dat weet ook Ivo van Hove, die zelf zijn eerste ideeën ontwikkelde in de kleine zaal.

We moeten in Nederland zuinig zijn op de mogelijkheden om risicovol theater te maken. Dat er weleens experimenten mislukken, is daaraan inherent, dat niet iedereen even getalenteerd is, blijkt vanzelf wel en sommigen zullen dan iets anders gaan doen. Het kleine zaalpubliek kiest ervoor bepaalde groepen te volgen, niet om naar een serie ‘topstukken’ te gaan. Daar hoort het risico van een teleurstelling bij.

De selectie bij de opleidingen en bij het verdelen van subsidies zou strenger kunnen zijn. Maar het pleidooi voor een inperking zoals Van Hove voor staat, dreigt in te spelen op de politieke wens om de kostbare, gedifferentieerde toneelcultuur die dit land rijk is te marginaliseren.

Marten Oosthoek Zakelijk leider van toneelgroep Dood paard

4 Machtspolitiek

Ivo van Hove is duidelijk voorstander van het ‘Belgische model’. Met voldoende middelen een groot gezelschap leiden en een aantal verwante theatermakers aantrekken. En natuurlijk hoort daar een eigen theater bij. Eén nacht nadenken over zo’n optie en de plannen stromen binnen, ik zou het wel weten.

Maar ik ben het er niet mee eens dat hij samen met geestverwanten bezig is een theatermodel te ontwikkelen waarvan zij zelf het meeste profiteren en waarbij ze zoveel mogelijk concurrenten uitschakelen. Dat lijkt op machtspolitiek en kartelvorming. In dit model is er ruimte voor slechts zes door het rijk gesubsidieerde gezelschappen. Stel dat ieder van die zes een groep jonge spelers aantrekt en een paar regisseurs. Waar blijven dan de anderen met ambities voor een eigen gezelschap? Die zijn in dit model aangewezen op de regio, en iedereen weet hoe ongewis dat is, zeker als het rijk geen extra geld geeft voor een regionaal theaterbeleid.

Mij staat een ander model voor ogen, met aandacht voor flexibiliteit en ensemblevorming en met zo min mogelijk versnippering.

Een aantal opties:

- de beoordelingscriteria voor subsidie zijn: kwaliteit, gedrevenheid en zeggingskracht

- theateropleidingen worden beoordeeld op het aantal afgestudeerden die een wezenlijke bijdrage leveren aan het theater.

- er komt een ruim reprisefonds waardoor minder wordt geproduceerd.

- vereenvoudig de regelgeving en hef de reisverplichting op

- bevorder ensemblevorming. Hoe meer ensembles, hoe minder ad-hoc initiatieven.

- publiek terugwinnen en uitbreiden door te investeren in gezelschappen met een eigen huis en in schouwburgen met een eigen identiteit.

- de overheid moet investeren in een theaterklimaat waarin op diverse fronten en ook regionaal initiatieven kunnen ontstaan die een positieve bijdrage leveren aan het culturele en intellectuele klimaat van ons land.

Mirjam Koen Regisseur en lid artistieke leiding Onafhankelijk Toneel/Opera OT

5. De fut is er niet uit

Wij delen van Hove’s zorg om de sector. Maar hij redeneert vanuit Randstedelijk perspectief. Dit vraagt dan ook om enige nuance.

De kleinere gezelschappen vervullen een belangrijke en eigenzinnige functie in het bestel. Op diverse manieren is er sprake van kwalitatief hoogwaardig theater. Dat blijkt ook uit de respons van publiek en pers. Krachten bundelen – ja, maar laat dit niet de enige vorm zijn waarin gewerkt wordt. Het gaat om de kracht van een voorstelling, niet om de organisatorische vorm waarin die tot stand kwam. Voor ons is de fut er niet uit. Door in continuïteit te kunnen werken hebben we de afgelopen jaren veel bereikt. De rek is er nog niet uit en dat geldt ook voor tal van andere kleinere gezelschappen.

Tussen de kleinere gezelschappen onderling en ook tussen de kleinere en grotere gezelschappen kan meer worden samengewerkt. Samenwerking tussen theatergezelschappen en productiehuizen is voor ons vanzelfsprekend, maar kennelijk is dat in de Randstad niet zo.

Volgens ons veroorzaken kortere en afwijkende subsidietermijnen niet alleen artistieke onrust en organisatorische problemen. Het maakt ook dat het totale veld niet in samenhang kan worden beoordeeld.

Continuïteit in de financiering door rijksoverheid, provincie en gemeentes zorgt dat een groot aantal belangrijke instellingen in de Provincie Noord Brabant kan werken.

Van Hove pleit voor een eigen huis voor stadsgezelschappen. Het is ook denkbaar dat gezelschappen allianties aangaan met theaters en dat bijvoorbeeld wordt afgesproken dat een voorstelling daar minimaal een week speelt. Zo kan een gezelschap dan een band opbouwen met het publiek in een stad.

Wim Berings (regisseur en artistiek leider) en Ton Driesen (zakelijk leider) namens De Wetten van Kepler, Den Bosch.