‘Ik wilde af van mijn roem’

In Brazilië is Chico Buarque al jaren een populaire zanger en schrijver.

Met zijn romans verovert hij nu Europa. „Ik forceerde een breuk met het verleden toen ik literatuur ging schrijven.”

Chico Buarque foto Jason Bell/Camera Press/ Hollandse Hoogte D 27932-02 Chico Buarque. Obligatory Credit - CAMERA PRESS/Jason Bell. SPECIAL PRICE APPLIES - CONSULT CAMERA PRESS OR ITS LOCAL AGENT. Brazilian singer-songwriter Chico Buarque, pictured in Rio in 1999, is one of the great lyricists of Brazilian popular music. For over thirty years he has remained at the forefront latino pop movement with his latest album being 'A Arte de Chico Barque' (2003).
Chico Buarque foto Jason Bell/Camera Press/ Hollandse Hoogte D 27932-02 Chico Buarque. Obligatory Credit - CAMERA PRESS/Jason Bell. SPECIAL PRICE APPLIES - CONSULT CAMERA PRESS OR ITS LOCAL AGENT. Brazilian singer-songwriter Chico Buarque, pictured in Rio in 1999, is one of the great lyricists of Brazilian popular music. For over thirty years he has remained at the forefront latino pop movement with his latest album being 'A Arte de Chico Barque' (2003). CAMERA PRESS

Oorspronkelijk had hij een ander soort carrière voor ogen gehad, legt Chico Buarque uit. Tijdens de wereldkampioenschappen voetbal bezoekt de 61-jarige zanger en schrijver uit Brazilië Berlijn. Plaats en tijd zijn goed gekozen, want voetbal is zijn vroegste en meest duurzame passie. „Vanaf mijn vierde, en ik speel nog wekelijks. Daarna, van mijn tiende tot twintigste jaar, las ik veel literatuur, voornamelijk Europese. Ik hoopte, nee, ik wist zeker dat ik later schrijver zou worden. Daarna heeft de muziek mij als het ware ontvoerd. Mijn literaire ambities heb ik pas weer opgepakt toen ik 40 was.”

De werelden van literatuur en muziek in Brazilië liggen niet ver uit elkaar. In een bar of zomaar op straat worden de meest gecompliceerde melodieën en teksten moeiteloos gescandeerd. „In Brazilië is er geen scheiding tussen hoge en popcultuur”, merkt Buarque op. „Een mooi voorbeeld is Vinicius de Moraes, die een gevestigd dichter was toen hij popliedjes ging schrijven en medegrondlegger was van de bossa nova.”

De bossa nova

was de muziek die Brazilië in het midden van de vorige eeuw een eigen gezicht gaf. Een groep bevriende kunstenaars uit de wijk Ipanema in Rio de Janeiro schiep een nieuwe, invloedrijke muzikale stijl, die nog altijd een stempel drukt op jazz- en popmuziek. De directe opvolger van bossa nova, Música Popular Brasileira (MPB) was in eigen land minstens zo succesvol. De drie leidende figuren van MPB, Caetano Veloso, Gilberto Gil en Chico Buarque de Hollanda, zijn nationale iconen. Als de standvastige intellectueel van de drie geniet Chico Buarque een grote reputatie in Brazilië.

Precies veertig jaar geleden was A Banda, een liedje over een carnavalorkest, Buarque’s grote doorbraak. Dichter Carlos Drummond de Andrade prees het als „diep in onze cultuur geworteld, een mars die ons in tijden van militaire dictatuur de zo gewenste vreugde bezorgt.” Zijn trefzekere woordkeus en de knappe verschijning van Buarque, met fascinerende, helblauwe ogen, deden het enthousiasme zelfs omslaan in een soort collectieve verliefdheid.

Toen hij na A Banda zijn populariteit wist te continueren met een reeks hits, werd Buarque er hardhandig op gewezen dat roem ook kwetsbaar maakt. Dat hij populair werd tijdens de opkomst van de militaire dictatuur, dat hij teruggreep op een oudere muzikale traditie van de samba-cançao en veel samenwerkte met bossa nova-muzikanten leidde tot het verwijt dat hij een meeloper zou zijn.

De uit Bahia afkomstige

muzikanten Gilberto Gil en Caetano Veloso, ook wel tropicalistas genoemd, stonden een rockgeoriënteerde, activistische anti-establishment muziek voor. Hun fans, en volgens velen ook zijzelf, schroomden niet de ‘mooiige’ muziek van Buarque uit te jouwen. Toch waren het juist de cryptische metaforen van Buarque die door de autoriteiten het meest bedreigend werden gevonden. Hij groeide uit tot symbool van de onafhankelijkheid van het individu tegenover de staatsmacht. Nadat zowel Buarque als de tropicalistas aan het begin van de jaren zeventig geruime tijd het land ontvlucht waren, werden de ‘misverstanden’ bijgelegd en werkten zij zelfs regelmatig samen.

Zelf relativeert Buarque zijn bijdrage aan het verzet. „Toen na 1968 de dictatuur in de meest repressieve fase kwam, hebben kunstenaars gesproken voor degenen die het zwijgen was opgelegd. Politieke partijen en vakbonden waren uitgeschakeld en de studentenbeweging monddood gemaakt. Zo werden concerten, ook als er enkel liefdesliedjes werden gezongen, politieke happenings. Veel liedjes kregen daardoor een dramatische kracht.”

Listige teksten zoals het door Buarque en Gil geschreven Calice waren van grote invloed. Daarin wordt het titelwoord in de zin ‘vader, laat deze beker (‘calice’) aan mij voorbijgaan’ ongemerkt vervangen door ‘cale-se’, oftewel ‘hou je mond’: ‘vader, laat dit hou-je-mond aan mij voorbijgaan’. Een protestzanger vindt Buarque zichzelf niet. „Dat woord kennen wij niet in Brazilië. Wel is er een traditie om in liedjes sociale problemen te bezingen. De harde realiteit van alledag vind je in carnavalsliedjes. Ze zijn vrolijk, vol ironie, en als je alleen de tekst zou lezen, zou je je er de muziek nauwelijks bij kunnen voorstellen.”

De militaire dictatuur

duurde van 1964 tot 1985. Het leeuwendeel van zijn uitgebreide oeuvre maakte Buarque juist in deze periode. Hij trad op als filmcomponist, toneelschrijver en acteur en in de muziek varieerde zijn rol van tekstschrijver bij Antônio Carlos (‘Tom’) Jobim tot componist bij Vinicius of zanger bij Guinga. Zijn ongeveer 250 liedteksten zijn klassiek geworden, vaste leerstof op scholen. Zijn preoccupatie is menselijk, niet politiek: zelden bezong een troubadour de complexiteit van menselijke relaties zo hartverscheurend; of zo teder de intimiteit, vaak vanuit het vrouwelijk perspectief.

Na 1987 verschenen slechts vijf van Buarque’s drieënveertig albums. Aanleiding voor zijn bezoek aan Berlijn is het uitkomen van een kersverse, korte cd, Carioca, en zijn eerste optreden in zeven jaar. Ook heeft het te maken met het succes van zijn literaire werk. De romans Estorvo (1991), Benjamim (1995) en Budapeste (2003) werden nationaal en internationaal goed ontvangen. Twee romans verschenen in een Nederlandse vertaling door August Willemsen (beide bij Meulenhoff): Estorvo in 1992 onder de titel Onrust en Budapest vorig jaar.

De romans hebben een beduidend andere toonzetting dan de liedjes. Ze zijn zelfs dieppessimistisch te noemen. Vooral de twee oudere werken laten zich lezen als kronieken van een depressie. Buarque’s hoofdpersonen zijn vervreemd van hun omgeving en gaan zonder enige hoop hun ondergang tegemoet. Desgevraagd speculeert Buarque dat het proces van liedjesschrijven hem heeft afgehouden van deze zware thematiek. „Ik schreef de tekst nooit voor de muziek er was, of ik nu zelf de muziek leverde of een ander, zoals bijvoorbeeld Tom Jobim. De melodie was leidend, vroeg om bepaalde woorden en het kan zijn dat daardoor het eindresultaat zoeter werd. Daarnaast is het zo dat ik bewust een breuk met het verleden wilde forceren toen ik literatuur ging schrijven.”

Budapeste is wat luchtiger van toon. De protagonist, José Costa, is een intrigerende figuur: een begaafd ghostwriter die, ongezien door de wereld, anderen beroemd maakt. In de stad Boedapest zoekt Costa nog meer anonimiteit. Hij vervangt zelfs zijn eigen taal door de Hongaarse. Het enige moment in het gesprek met Buarque dat hij emotioneel wordt, is als hij spreekt over Costa’s „zoektocht naar anonimiteit, zijn poging uit de wereld van het bekende te breken, weg van de ziekte van willekeurige roem – van roem die niets met prestaties van doen heeft.”

Buarque is een benaderbare icoon. In Rio de Janeiro loopt hij vrijwel iedere dag vanuit zijn huis in Leblon naar de rotsen van Arpoador, de grens tussen de stranden van Ipanema en Copacabana. Hij geeft zelden interviews en geldt als gereserveerd, maar dat lijkt niet terecht. De Braziliaanse pers voldoet niet aan zijn strenge kwaliteitseisen. Aan het begin van zijn carrière was hij te actief en succesvol, nu zou hij op zijn retour zijn, drankzuchtig en speelbal van affaires na de scheiding van zijn vrouw, de actrice Marieta Severo. Het ontsnappen uit de wereld van gemakzuchtige meningen en oordelen lijkt voor Buarque niet minder aanlokkelijk dan voor José Costa.

Slechts één keer wist hij anoniem te blijven: toen hij, om de censuur van de militaire junta’s te ontduiken, zijn liedjes uitgaf onder het pseudoniem Julinho de Adelaide. Nu bereikt hij met zijn literatuur een nieuw publiek in Europa, wat hij verfrissend vindt: „Een Noorse journalist vroeg me laatst: klopt het dat u ook muziek maakt?”

Als muzikant is Buarque

een minimalist geworden. Het concert in het Berlijnse Haus der Kulturen is bijzonder ingetogen. Tijdens het schrijven van Budapeste, een periode van vier jaar, heeft hij geen gitaar aangeraakt, vertelt hij: „Ik heb me van alle ervaring en routine losgemaakt.” Om het belang van onbevangenheid te onderstrepen citeert hij een opmerking van componist Berlioz over zijn leerling Saint-Saëns: „Hij weet alles, maar mist onervarenheid”.

Zijn nieuwe cd, Carioca ofwel ‘uit Rio’, is een ode aan zijn geboortestad. „Rio is een decadente stad, verarmd, vol problemen. De stad en de voetbalclubs worden slecht bestuurd. Maar Rio verdient het om bezongen te worden. Men mag niet vergeten dat deze stad ook nu nog de rijkste bron van Braziliaanse muziek vormt.”

Nieuwe generaties muzikanten hebben zich aangediend. Bebel Gilberto, dochter van Buarque’s zuster, zangeres Miùcha en João Gilberto, timmeren internationaal aan de weg en zijn dochter is gehuwd met zanger/producent Carlinhos Brown uit Bahia. Buarque beschouwt zichzelf tot op zekere hoogte als sleutelfiguur tussen de bossa nova en de nieuwe generatie. „Maar ik wil mezelf niet vergelijken met Vinicius of Jobim. Zonder hen was ik nooit muzikant geworden.”

Chico Buarque, ‘Carioca’, is verschenen bij Discmedi. De cd is te beluisteren via www.chicobuarque.uol.com.br