Er was eens... lang en gelukkig

Ze lijken een typisch product van de zapcultuur: de ultrakorte verhalen uit de nieuwe, populaire bundel ‘Flash Fiction Forward’. Maar hoe snel kun je ze eigenlijk lezen?

James Thomas and Robert Shapard: Flash Fiction Forward. 80 Very Short Stories. W.W. Norton & Company, 237 blz. €15,10

‘Een man loopt in de regen en eet een banaan. Waar komt hij vandaan. Waar gaat hij naar toe. Waarom eet hij een banaan. Hoe hard regent het. Waar heeft hij de banaan gekocht. […] Hoe snel loopt de man. Vindt hij de regen vervelend. Waar denkt hij aan. Wie stelt al deze vragen. Wie wordt verondersteld ze te beantwoorden. Waarom. Doet het er toe. […] Weet de man de vragen te beantwoorden. Houdt hij van bananen. Van lopen in de regen. Voelt de man ogen in zijn rug prikken. Dat hij vragen oproept. Waarom lijkt het heldergeel van de banaan de enige kleur, de laatst mogelijke kleur in een grijze wereld waarin een grijs regengordijn alles nog grijzer maakt. Ik weet vraag na vraag na vraag. Het enige antwoord dat ik weet is dit: alle verhalen die ik zou kunnen verzinnen over deze man die lopend in de regen een banaan eet zouden droevig zijn, tenzij ik met jou vanachter een raam naar hem zou kijken’.

Dit citaat komt uit ‘Stories’ van de Afrikaans-Amerikaanse auteur John Edgar Wideman en bevat de openings- en slotzin van Widemans ultrakorte verhaal, dat slechts eenderde langer is. Het is een van de tachtig ‘short-shorts’ die Robert Shapard en James Thomas, universitair docenten literatuur en creative writing aan respectievelijk de Universiteit van Hawaii en Wright State University in Ohio, verzamelden en recentelijk bundelden in Flash Fiction Forward, 80 Very Short Stories.

Het relaas over de man en zijn banaan illustreert hoe verwarrend, intrigerend en suggestief weinig woorden kunnen zijn. Pas na het lezen van de slotzin krijgen de vragen in ‘Stories’ betekenis en ontstaat dat indringende beeld van een eenzame man die vanachter een raam van (bijvoorbeeld) een koffietent een toevallige voorbijganger in de stromende regen ontwaart en aan een verloren liefde terugdenkt. Daarna komen nieuwe vragen. Wie is die hij? Of zij? Waarom en hoe is de liefde verloren gegaan? En, tot slot, is ‘Stories’ als miniverhaal wel een echt verhaal?

De Amerikaanse schrijfster Kate Wilhelm merkt treffend op welke manieren je fictie kunt ervaren, alsof het een huis is. Je kunt worden genodigd binnen te treden en alle ruimten, kamers, kasten, hoeken en gaten te ontdekken en onderzoeken: dat is de roman. Of je wordt verzocht buiten te blijven om door een raam van een van de kamers naar binnen te kijken: dat is het korte verhaal. Of je moet knielen voor een sleutelgat en naar binnen gluren om te achterhalen wat er in een van de hoeken van een van die kamers te zien en gaande is: dat is de short short story, het meest gecondenseerde verhaal onder de verhalen en het type dat het meeste van je vraagt als lezer.

De short-short is als literaire vorm niet nieuw. De volksprookjes van Grimm, Aesopus’ fabels en enkele verhalen uit Ovidius’ Metamorfosen kunnen zeker worden geëtiketteerd als short-short. ‘A Short Short Story’ als begrip werd pas in 1930 geïntroduceerd toen het Amerikaanse tijdschrift Collier’s Weekly wekelijks een verhaal publiceerde van ongeveer 1.500 woorden, afgedrukt op één pagina. Daarna nam de short-short in Amerika een vlucht, met de jaren 1940 en ’50 als hoogtepunt, om in tweede helft van de 20ste eeuw weer enigszins op de achtergrond te raken.

Tot 1986. Toen verscheen Sudden Fiction: de door Shaphard en Thomas vervaardigde eerste bundel van zeventig oorspronkelijke Amerikaanse verhalen van maximaal 2000 woorden. De bloemlezing werd door lezers en schrijvers omarmd. En in het land bleek honger naar meer. Dus Shapard en Thomas gingen op zoek, zich ondertussen afvragend: ‘how short can a story be and still truly be a story?’

Die vraag bracht ze bij Hemingway’s ‘A Very Short Story’ (1924), het ongeveer 750-woorden tellende verhaal waaruit A Farewell to Arms (1929) is ontsproten. Het toonde Shapard en Thomas dat een kort verhaal heel erg kort kan zijn zonder de klassieke verhaalelementen – hoofdpersoon, conflict of complicatie en verandering of oplossing – overboord te gooien.

Samen met Tom Hazuka, schrijver en hoogleraar Engelse taal- en letterkunde aan Central Connecticut State University, verzamelden ze voor de verhalenbundel Flash Fiction (1992) tweeënzeventig short-shorts – onder meer van John Updike, Joyce Carol Oates, Margaret Atwood en Heinrich Böll – van maximaal 750 (en minimaal 250) woorden. Verhalen die memorabel zijn. Verhalen waarvan het begin en het einde, mits op een dubbele pagina afgedrukt, in één oogopslag kunnen worden aanschouwd. Verhalen die in één flits te lezen zijn: flash fiction.

Flash Fiction was een groot succes en zette een trend die onder andere dankzij de opkomst van het Internet – de lengte van de short-short is goed leesbaar op een computerscherm en doet de aan ‘short-shorts’ gewijde e-zines als Vestal Review (www.vestalreview.net) bloeien – nog lang niet is overgewaaid.

De in Flash Fiction Forward opgenomen tachtig jonge short-shorts – het oudste verhaal dateert uit 1997 – zijn door tachtig verschillende bekende en onbekende schrijvers geschreven (het merendeel afkomstig uit de Angelsaksische wereld). Ze tonen een grote keus en variatie zien. Er zijn bizarre, humorvolle verhalen die je de absurditeit van het leven laten voelen, zoals ‘Mandela Was Late’ van Peter Mehlman, waarin Nelson Mandela zich kort na zijn vrijlating moet melden bij zijn reclasseringsambtenaar en te laat komt, ‘My Date with Neanderthal Woman’ van David Galef, over de doorgeschoten dating-industrie en het wensen van het onmogelijke (‘I like rock music, and she likes the music of rocks’) en Luigi Malerba’s oorspronkelijk Italiaanse ‘Consuming the View’, dat vertelt over hoe het panorama van Rome vertroebelt door de aanhoudende starende blik van het teveel aan toeristen.

Er zijn naargeestige verhalen, zoals ‘Sleeping’ van Katherine Weber, dat je achterlaat met de vraag of de babysit op een levende, dode, of virtuele baby heeft gepast en of mensen met een hevige kinderwens zover kunnen gaan dat ze ‘vadertje en moedertje’ spelen. En er zijn gevoelige verhalen over uitgedoofde huwelijken (‘Parrot Talk’ van Kit Coyne Irwin en ‘Toasters’ van Pamela Painter) en wanhopige, mishandelde vrouwen (‘The Wallet’ van Andrew McCuaig)

Waaraan danken die flash-story’s hun populariteit? Is flash-fiction een tijdverschijnsel? Is het een soort zapliteratuur? Zapliteratuur voor in onze zapcultuur, die wordt geschreven door en voor de snel afgeleide infotainment-consument, die wegens gebrek aan concentratie uit veel wil kunnen kiezen, het gekozene snel wil consumeren om daarna verder te kunnen zappen op jacht naar nieuw vluchtig vermaak?

Ja en nee. Ieder verhaal dat je leest is inderdaad relatief snel voorbij, als een lichtflits aan de hemel. Maar wil je de lichtflits in volle glorie aanschouwen, moet je heel aandachtig en geduldig wachten en naar de hemel kijken, anders mis je hem.

Met die houding – aandachtig en geduldig – moet je de verhalen in Flash Fiction Forward lezen. Ze nodigen je uit binnen te treden via een sleutelgat. Pas na een tijdje intensief gluren, weet je waar je je bevindt. Geen zin, geen woord, geen komma mag je ontgaan. De taal is tot de rand toe gevuld met betekenis, die je er grotendeels zelf in moet leggen. Ben je gewend soms een alinea over te slaan, kom je in een flash-story bedrogen uit. Flitsverhalen moet je langzaam lezen, als poëzie, en zeker niet allemaal achter elkaar. Alleen dan zul je de flits aanschouwen. Alleen dan zul je de donder erna horen. Alleen dan zul je ervaren hoe het merendeel van deze ‘flashes’ met heel weinig woorden het leven in al zijn facetten blootlegt en de zapdrift doet temperen. Want soms dreunt de donder na de bliksemflits lang na.

In januari verschijnt van James Thomas en Robert Shapard bij dezelfde uitgever: New Sudden Fiction, Short-Short Stories from America and Beyond