Epo-test roept wederom vragen op

Atlete Marion Jones is vrijgepleit van het gebruik van epo. Een tweede urinestest bewees plotseling haar ‘onschuld’. „Mogelijk zijn er te snel conclusies getrokken.”

Henk Stouwdam

De Amerikaanse atlete Marion Jones was positief maar nu niet meer. Dat roept opnieuw vragen op over de betrouwbaarheid van de test die de atlete op het gebruik van het eiwithormoon erytropoëtine (epo) moest controleren.

De bekendste atleten die Jones voorgingen als slachtoffers van de mogelijke ondeugdelijkheid van de epo-test zijn de Keniaanse middellangeafstandsloper Bernard Lagat – die intussen overigens tot Amerikaan is genaturaliseerd – en vorig jaar de Belgische triatleet Rutger Beke.

Lagat werd in 2003 op epo betrapt op grond van de uitslag van de A-staal, de eerste test. Maar bij de contra-expertise bleek de B-staal positief. Een situatie die vergelijkbaar is met die van Jones.

Beke was een ander geval. Nadat hij was betrapt op epo bleef de Belg dusdanig fanatiek zijn onschuld verdedigen, dat het de belangstelling van onderzoekers van de universiteit in Leuven wekte. En wat bleek? De Leuvense wetenschappers toonden aan dat bij de triatleet het verschil tussen lichaamsvreemde en lichaamseigen epo moeilijk kon worden aangetoond. Beke was, zoals dat heet, vals positief.

Voor het wereld-antidopingbureau WADA was dat een schokkende uitkomst, omdat een jaar eerder de urinetest als de enige wetenschappelijk betrouwbare methode voor het opsporen van lichaamsvreemde epo werd aangemerkt. Na het geval Beke stond de urinetest wederom ter discussie. WADA anticipeerde daarop met een mededeling aan alle door het IOC geaccrediteerde laboratoriums „dat de nieuwe informatie betrokken moet worden bij de interpretatie van de resultaten”. En WADA adviseerde de laboratoriums een second opinion te laten uitvoeren voordat het resultaat openbaar wordt gemaakt.

De dopingzaken van Lagat, Beke en nu weer Jones roepen de vraag op waarom WADA is afgestapt van de bloedcontrole, eventueel in combinatie met de urinetest. Toen bij de Spelen van 2000 in Sydney voor het eerst epo-testen werden uitgevoerd, werd er bloed afgenomen en moest een positieve uitkomst nog eens worden bevestigd door een urinetest. Maar die methode is omslachtig en kostbaar. Bovendien kleefden er bij enkele bevolkingsgroepen ethische bezwaren aan een bloedtest.

Toen WADA in 2003 de urinetest, zoals die is ontwikkeld door de Française Francoise Lasne, accepteerde als betrouwbaar, negeerde het de kritiek uit wetenschappelijke hoek. Een van de criticasters is de Duitse dopingexpert Werner Franke, die wijst op het risico van fouten.

Daarnaast worden er sinds de acceptatie van de urinetest minder sporters op epo betrapt, wat niet hoeft te betekenen dat de test niet deugt, omdat het gebruik van epo ook kan zijn afgenomen. Maar de cijfers zijn dat er in 2003 vijftig positieve gevallen waren, een jaar later 38 en vorig jaar het aantal epo-gevallen was verminderd tot vijftien.

Bovendien kan de betrouwbaarheid van de controle in twijfel worden getrokken als er te veel tijd wordt genomen voor het uitvoeren van de contra-expertise. Hoe langer wordt gewacht met de tweede test, des te meer risico dat de detectie van epo niet is vast te stellen. Bewegingswetenschapper Harm Kuipers liet gisteravond op de televisie aan de hand van een voorbeeld zien dat de tweede test veel ruimte voor een verkeerde interpretatie laat als te lang wordt gewacht. Bij een tweede test is relatief moeilijk af te leiden of er in de urine sprake is van epo-gebruik.

In het geval Jones was er sprake van een ruime tijdspanne. Zij werd op 23 juni getest tijdens de Amerikaanse kampioenschappen in Indianapolis, kreeg 17 augustus te horen dat ze positief was wegens gebruik van epo en hoorde 6 september dat de contra-expertise negatief was.

WADA-voorzitter Dick Pound erkende gisteren in een reactie op de zaak Jones dat die ruimte er is bij epo-testen. „Mogelijk dat de eerste keer te snel conclusies zijn getrokken. Je verwacht geen grote verschillen tussen de A- en B-staal. Maar ik denk dat de test betrouwbaar is; je moet alleen weten hoe je de uitkomsten moet lezen.”