Dit was Dizzy, nu Mozart

Studs Terkel Foto AP / Dean Cox Studs Terkel, a Pulitzer Prize-winning oral historian, makes a point during his acceptance speech for the Ivan Sandrof Lifetime Achievement Award during the National Book Critics Circle awards ceremony in New York on Thursday, March 4, 2004. (AP Photo/Dean Cox)
Studs Terkel Foto AP / Dean Cox Studs Terkel, a Pulitzer Prize-winning oral historian, makes a point during his acceptance speech for the Ivan Sandrof Lifetime Achievement Award during the National Book Critics Circle awards ceremony in New York on Thursday, March 4, 2004. (AP Photo/Dean Cox) Associated Press

Studs Terkel: And They All Sang. The Great Musicians of the 20th Century Talk About Their Music. Granta Books, 301 blz. € 27,75.

In het boekje dat de dit jaar verschenen dubbel-cd met historische, Amsterdamse opnamen van blueszanger Big Bill Broonzy begeleidt, staat ook een foto van diens begrafenis. Acht mannen dragen zijn kist, blues-collega Muddy Waters voorop. Middenachter loopt een vrij kleine, blanke man, hoofd gebogen, sterk profiel: Studs Terkel, radio-legende, oral historian en kenner van de blues en veel andere muziek.

Terkel gold, in de jaren vijftig en zestig, als een van de blanke middlemen die zwarte muziek, en dan vooral die uit zijn woonplaats Chicago, bij het blanke publiek introduceerden. De gelukkige bezitters van oude lp’s op Chess, het blues-label bij uitstek, treffen op die platen dikwijls hoesteksten van hem aan en lange tijd gold hij, tegen wil en dank, als ‘de ontdekker’ van gospelzangeres Mahalia Jackson.

Terkel dankte die reputatie vooral aan een dagelijkse radioshow die hij een halve eeuw lang, van kort na de oorlog tot midden jaren negentig, had voor WFMT, een station in Chicago. In de eerste jaren presenteerde Terkel daar zijn eigen eclectische muziekkeuze, ongehinderd door enige genre-hygiëne: ,,Een aria van Caruso, ‘Ombra mai fu’ uit Handels Xerxes, werd bijvoorbeeld gevolgd door Louis Armstrong and his ‘Hot Seven’s West End Blues’. Daarna bijvoorbeeld een ballade van Woody Guthrie. Wat voor muziek het ook was die mij aantrok, ik gaf het aan de luisteraar door, ongeacht het genre’’, zoals hij eens zei in een interview.

Het programma werd populair genoeg om door public radio stations in het hele land te worden overgenomen. Ook in latere jaren, toen Terkel niet alleen muziek draaide maar ook gasten ontving in zijn programma, alsmede muzikanten, schrijvers en buurtgenoten met een verhaal. Hij was een van die nu zeldzame interviewers die een boek ook helemaal lazen alvorens de auteur te ondervragen. Schrijfster Margaret Atwood herinnerde zich hoe hij een nieuwe roman van haar ‘bijna letterlijk stukgelezen had, het boek zag eruit of hij ermee over de vloer had liggen rollen en het zat vol met aantekeningen en kleine stukjes papier als ruitertjes.’

Studs Terkel zou in al die jaren waarin hij naam maakte als radio-presentator, in bredere kring bekend worden als onverbeterlijk-linkse criticus van de Amerikaanse machthebbers, maar vooral als oral historian, die in een klein dozijn boeken het Amerikaanse gedachtegoed vastlegde zoals dat bestaat ver van de grote geschiedschrijving.

Het recent verschenen And They All Sang is een keuze uit de interviews die hij in die halve eeuw dat zijn programma duurde met musici had – en het scala is net zo breed als zijn eigen smaak. Dat loopt van de Italiaanse bariton Tito Gobbi tot Bob Dylan, van Elisabeth Schwarzkopf tot trompettist Dizzy Gillespie, van Andres Segovia tot Leonard Bernstein. Toegevoegd zijn enkele herinneringen aan personen die hij buiten de studio ontmoette, als Woody Guthrie en Mahalia Jackson. In een voorwoord laat hij weten dat zijn keuze voor de onderwerpen door geen enkele regel werd bepaald, ‘het zijn simpelweg degenen die me op het moment van het schrijven het meest aanspraken.’

Terkel is, te oordelen naar deze geredigeerde transcripties, het soort interviewer dat niet alleen goed geïnformeerd is, maar ook bij voorkeur mensen spreek die hij bewondert. Zijn vragen zijn zelden kritisch, beperken zich vaak tot minieme aanmoedigingen, als ‘and now we come to Mozart.’

Zijn interview met Bob Dylan is vooral interessant vanuit een latere optiek; hier lezen (horen) we de liberal uit de jaren zestig van het type dat zich Dylan probeerde toe te eigenen en tegen wie deze zich juist zo probeerde te verzetten. Een goed voorbeeld is de discussie over het nummer ‘A Hard Rain’s A-Gonna Fall’ waarvan de interviewer suggereert dat het over nucleaire fall-out gaat. Dylans antwoord is duidelijk afwijzend, zij het minder duidelijk in zijn uitleg waar het dan wél over gaat. ‘Nee, het gaat niet over atomic rain, helemaal niet, alleen maar over harde regen [...] Ik heb het alleen maar over een bepaald einde dat moet plaatsvinden en dat makkelijk te zien is maar iedereen denkt niet echt na over het negeren ervan (sic). Het móet gebeuren. Hoewel ik het niet heb over harde regen als atomic rain, lijkt het me dat de bom in zekere zin een god is, en mensen aanbidden hem echt. Je moet aardig tegen hem zijn, weet je. Je moet oppassen met wat je over hem zegt. Mensen werken er zes dagen per week aan om hem te perfectioneren, it’s a whole new show.’ En zo gaat de discussie via even curieuze paden nog een tijdje door.

Dylan was, uiteraard, niet de enige uit de muziekwereld die door Terkel in zijn radiojaren op sociaal bewustzijn werd aangesproken. Een boeiend gesprek levert dat op met componist Leonard Bernstein, waarin het hoofdzakelijk over politiek en educatie gaat, over drugs als voorbeeld van onmiddellijke behoeftebevrediging en in feite over niets minder dan de gehele Amerikaanse samenleving. Het is verleidelijk uit een gesprek als dit, en bijvoorbeeld die met mensen zo uiteenlopend als Louis Armstrong en Alfred Brendel, te citeren. Maar misschien het meest interessant zijn toch de interviews met impresario’s als Sol Hurok en John Hammond sr., alsmede met Alan Lomax die ook onder het hoofdje ‘impresario’s’ wordt ingedeeld, al is dat misschien hoofdzakelijk omdat Lomax de benaming ‘musicoloog’ zo hardnekkig afwijst.

Lomax was verantwoordelijk voor het registreren van Amerikaanse volksmuziek, zwart en wit, die anders grotendeels verloren zou zijn gegaan. En hoewel hij ook volksmuziek vastlegde in Italië, Ierland, Spanje en de Caraïben praat hij hier hoofdzakelijk over dat Amerikaanse erfgoed, en vooral over de zwarte muziek als collectieve kunstuiting. ‘Afrikanen maken geen muziek als solisten, zoals wij doen [...] Hun geschiedenis is geschreven door de zangers en de genieën in vierhonderd culturen die alle genieën vertegenwoordigen die ooit hebben bestaan. En die geschiedenis is ondergespit door die ijdele groep mensen die zichzelf schrijvers en historici noemen [...] en die al die manuscripten hebben afgescheiden, hoofdzakelijk over koningen en prinsen, en die de werkelijke gebeurtenissen buiten beschouwing lieten zoals die zich afspeelden in de velden en weilanden.’

Terkels passie voor muziek mag begonnen zijn met opera maar werd uiteindelijk, zo impliceert hij, het meest intens beleefd met de blues, die ‘voor mij alle dingen was die ik wilde zijn and never got around to being’. Het is dan ook enigszins verwonderlijk, voor een vanuit Chicago opererende journalist met een dergelijke voorkeur, dat er zo weinig bluesmuzikanten uit de bestreken periode in dit boek te vinden zijn. Terkel zal toch zeker wel Muddy Waters, Howlin’ Wolf en Buddy Guy naar zijn radiostudio hebben gekregen? En, over middlemen gesproken, waar zijn de gebroeders Chess, verantwoordelijk voor het op de markt brengen van de beste blues die ooit gemaakt werd?

Maar misschien wordt deze vraag in de toekomst vanzelf beantwoord. In een interview met M, het magazine van deze krant, verklaarde Terkel kort voor de presidentsverkiezing van 2004 dat, indien George W. Bush herkozen zou worden, hij de hoop opgaf voor Amerika en de resterende jaren van zijn leven alleen nog maar over muziek zou schrijven. Hij heeft tot nu toe woord gehouden. Terkel is nu 94, en het zou me niets verbazen als dit heerlijke, gepassioneerde boek nog een vervolg krijgt. Immers, zo parafraseert hij de 14de-eeuwse Perzische dichter Hafiz: ‘Muziek is mijn leven. Waar zouden we zonder muziek zijn?’