Dit is geen overzicht

Met een fotografische precisie wist de Belgische schilder René Magritte zijn absurde wereld te verbeelden. Aan verborgen verleiders deed hij niet.

René Magritte, ‘Het domein van Arnheim’, 1943 foto’s Museum Boijmans Van Beuningen Magritte in Boijmans: rotsen, eieren en een halve maan
René Magritte, ‘Het domein van Arnheim’, 1943 foto’s Museum Boijmans Van Beuningen Magritte in Boijmans: rotsen, eieren en een halve maan Magritte,René

Eigenlijk is een Magritte simpel te maken. Je bedenkt een tegenstelling, of een combinatie van twee beelden die elkaar schijnbaar uitsluiten, en zet die zo precies mogelijk op het doek. Een man bijvoorbeeld die in de spiegel naar zijn eigen achterhoofd kijkt. Een rotsblok dat zweeft in de lucht. Een schilderij dat exact samenvalt met de voorstelling in het raam erachter. En natuurlijk: de afbeelding van een pijp (of een appel) met daaronder in sierlijke krulletters de mededeling dat dit geen pijp is (of appel), het beroemdste beeldraadsel uit de kunst van de twintigste eeuw. Voilà Magritte. Of beter: Voici Magritte, zoals het overzicht heet van de Belgische schilder in Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam.

Een beetje een vreemd overzicht is dat wel, overigens. Hoewel in advertenties en presentaties de indruk wordt gewekt dat het een volwaardig overzicht is van René Magritte (1898-1967), (‘groots opgezet’, ‘sleutelschilderijen’), worden er vooral tekeningen, voorstudies en gouaches getoond, aangevuld met schilderijen uit Boijmans en een Zwitserse privé-collectie. Daar is op zichzelf weinig mis mee, ware het niet dat je daardoor die curieuze combinatie van verwarring en exactheid die Magritte zo intrigerend maakt met een lampje moet zoeken. Voici Magritte is meer een tentoonstelling voor de studieuze kunsthistorische versievergelijker dan voor de toeschouwer die zich wil onderdompelen in het magrittiaanse universum.

Dat is jammer, want zelfs uit de schaarse overtuigende beelden die het museum verschaft, wordt opnieuw duidelijk dat Magritte zo’n krachtige kunstenaar is. Wie door de zalen en kabinetjes loopt vergeet soms dat Magritte tot de belangrijkste surrealisten wordt gerekend, de stroming die in het spoor van Dada totale vrijheid van geest en verbeelding propageerde. De bekendste vertegenwoordiger van het surrealisme is nog steeds Salvador Dalí, Magrittes grote concurrent, die vorig jaar in Boijmans werd geëerd met een expositie vol films, beelden en lichteffecten. Dalí was een wandelend Gesamtkunstwerk, een flamboyante persoonlijkheid, voor wie de ongrijpbare surrealistische beelden op het einde van zijn carrière alleen nog maar leken te dienen voor de promotie van zijn artistieke ego.

Bij Magritte is daarvan weinig terug te vinden. Magritte is voor alles een sobere, ietwat stijve Belg, die zijn fantasieën op een precieze, bijna mathematische manier uitwerkte. Een theoreticus ook, die al vroeg was gefascineerd door het verband (of beter: de incongruentie) tussen taal en beeld. Zo tekende en schreef hij al in 1928 het ‘beeldessay’ Les Mots et les images (gelukkig wel te zien op de expositie) waarin hij op een speelse manier laat zien hoe weinig toereikend taal en beeld zijn om de ‘echte’ wereld te verbeelden – en waar die beroemde pijp rechtstreeks uit voorvloeit.

En dat is niet de enige

constante in Magrittes oeuvre. Op zijn doeken keren vaak dezelfde onderwerpen en thema’s terug: de lucht, de boom, de vogel, de vrouw, het silhouet, de deur. Altijd zijn die thema’s sober en overzichtelijk en zeer precies geschilderd, waarmee meteen duidelijk is dat die surrealistische exuberantie wat betreft Magritte in ieder geval niet gold voor de uitvoering. Magritte was in technisch opzicht een heel goede, ambachtelijke schilder, die met een bijna fotografische precisie zijn absurde wereld weet neer te zetten – als een goede fictieschrijver die de lezer met enkele precies gekozen details weet te laten vergeten dat hij zich in een gefantaseerde wereld begeeft.

Maar dat is niet zijn belangrijkste verdienste. Wat Magritte op zijn best tot een intrigerende kunstenaar maakt, is zijn vermogen om te kiezen. Dat vermogen komt ongetwijfeld voort uit zijn achtergrond als reclametekenaar, een bezigheid waarmee hij een groot deel van zijn leven zijn brood verdiende, en waarin het altijd draait om het direct en scherp uitdragen van je boodschap. Die vaardigheid nam Magritte vanaf het einde van de jaren twintig mee in zijn kunst. Het grote probleem van het surrealisme was tot die tijd dat het zo’n enorm vrijblijvende stroming was – het rijk van het onderbewuste kent nu eenmaal geen hekken. De gevolgen daarvan zag je bij Dalì en zijn vele navolgers: mudvolle schilderijen vol details die krampachtig proberen betekenisvol te worden, maar die er in de praktijk voor zorgen dat bij de toeschouwer vooral een sfeer van gekte en artistiekerigheid blijft hangen.

Vergelijk dat eens met Magritte. Zijn schilderijen zijn altijd gebaseerd op één idee, dat zich (geheel volgens de aard van zijn theorie) nauwelijks in taal laat vangen. Een van de mooiste voorbeelden daarvan zijn de Het domein van Arnheim-werken (meervoud, want Magritte maakte van veel van zijn werken in de loop van zijn carrière meer versies). Op Arnheim zien we, vanuit een woning of een balkon, een woeste bergrug tegen een sombere lucht. De rotsblokken lijken grillig, tot je ziet dat uit de rots de stenen kop van een adelaar opdoemt. Tegelijk liggen er op de balkonrand twee eieren. Dat is typisch Magritte: de rotskop en de eieren gaan een verband met elkaar aan, overbruggen de ruimte tussen gebergte en balkon, zonder dat je er meteen een freudiaanse duiding op los kunt laten of precies kunt zeggen wat het betekent. Maar doordat Magritte zo exact kiest en zo precieus schildert, word je als kijker aangespoord tot kijken en denken, blijven zijn beelden in je hoofd rondspoken en wordt er subtiel op de drukpunten van je onderbewuste geduwd. Waar je als toeschouwer bij Dalì voornamelijk naar de gekte van de kunstenaar kijkt, zet Magritte je aan tot overpeinzingen over je eigen dromen en angsten.

Het gevolg van die manier van werken is wel dat het moeilijk is om waardering voor Magrittes totale oeuvre op te brengen. Het beeld, of de door Magritte bedachte combinatie, moet je ergens in dat schimmige onderbewuste raken, anders is de verleiding groot je schouders op te halen en door te lopen – aan verborgen verleiders doet Magritte niet. Zo is Verboden af te beelden, het doek van de man die in de spiegel alleen zijn achterkant ziet, voor sommigen vooral een flauwe grap, terwijl anderen er de angst in zien van de man die bang is de greep op zichzelf te verliezen.

Het intrigerende,

maar ook het lastige aan dit oeuvre is ondertussen dat Magritte zelf, zijn eigen persoonlijkheid, zijn eigen verlangens, nauwelijks dichterbij komen. Zijn oeuvre lijkt vooral een reeks goed gekozen casestudies. Dat idee wordt versterkt doordat Magritte in de loop van zijn carrière verschillende thema’s, en soms zelfs schilderijen veelvuldig bleef herhalen. Het genoemde Domein van Arnheim maakte hij verschillende keren, als gouache en in olieverf. Hetzelfde geldt voor de zwevende rotsblokken, de bladeren die als bomen in de grond staan, de silhouetten, de appels, noem maar op. Bij sommige kunstenaars kun je dit beschouwen als een gedreven zoektocht naar het perfecte beeld, maar bij Magritte, die door zijn exacte stijl zo zelfverzekerd overkomt, is dat niet geloofwaardig. Het lijkt er meer op dat de kunstenaar, toen hij na decennia ploeteren in de jaren vijftig eindelijk succes kreeg, het niet kon laten zijn oude favorieten nog maar eens uit de kast te halen en te cashen.

Maar er is ook iets

te zeggen voor het idee dat Magritte zijn catalogus van het onderbewuste tegen die tijd wel had uitgeput. Hij had alle mogelijke combinaties wel uitgeprobeerd, wat wordt bevestigd door de kitsch die hij in deze jaren af en toe op de wereld los laat. Neem de gouache De steek in het hart (1958), waarbij een puntig mes een van de loten is aan een weelderige rozenstruik – een monstrum. Nog erger is De overlevende (1950): een volledig houten geweer dat tegen een wand met roze bloemetjesbehang leunt, terwijl bloed over het handvat druipt. Maar, dat is het aardige aan Magritte, terwijl je daar naar kijkt en bedenkt hoe vreselijk je het vindt, besef je ook dat er ongetwijfeld mensen zullen zijn die het prachtig vinden, een oprechte verbeelding van hun gemoedsleven. In die zin blijft Magritte de volledig ongrijpbare kunstenaar: hij onderzoekt, tast af en analyseert de gevoelens van iedereen – en zelf glipt hij weg, als een dief in de nacht.

‘Voici Magritte’, t/m 3 december in Museum Boijmans van Beuningen, Museumpark 18-20, Rotterdam. Di t/m zo 11-17u. Inl. www. boijmans.nl