De wereld vijf jaar later

Het Britse blad The Economist maakt de balans op.

Hoe George Bush terugvocht na de terreuraanslag van al-Qaeda, en wat hij verkeerd deed.

‘Ground Zero’, waar voor 9/11 het WTC stond, op 23 september 2001. Deze satellietfoto is genomen door de NOAA, een Amerikaanse overheidsorganisatie die zich bezig houdt met bestudering van de oceanen en de atmosfeer, onder andere voor weerberichten. De foto op de cover, pagina drie en hierboven is dezelfde, alleen steeds verder ingezoomd. Foto NOAA
‘Ground Zero’, waar voor 9/11 het WTC stond, op 23 september 2001. Deze satellietfoto is genomen door de NOAA, een Amerikaanse overheidsorganisatie die zich bezig houdt met bestudering van de oceanen en de atmosfeer, onder andere voor weerberichten. De foto op de cover, pagina drie en hierboven is dezelfde, alleen steeds verder ingezoomd. Foto NOAA NOAA

Het zou vanzelf moeten spreken dat negentien mannen de geschiedenis niet kunnen veranderen. Toch is dat wel gebeurd. Vijf jaar en twee door de Amerikanen geleide oorlogen later is de wereld die door de vliegtuigkapers van 11 september 2001 is geschapen een duisterder plek dan vrijwel iedereen aan het begin van de nieuwe eeuw voorspelde. Al-Qaeda zelf mag dan gehavend en uiteengedreven zijn, haar gedachtengoed heeft zich over de hele aardbol verspreid.

De essentie van dat gedachtengoed, voorzover er iets coherents valt te distilleren uit het gistingsproces van de door Osama bin Laden en zijn discipelen verstuurde boodschappen, is dat de islam overal onder vuur ligt van de ongelovigen en dat iedere moslim de plicht heeft mee te doen aan de heilige oorlog (jihad) om zijn geloof te verdedigen. Amerika wordt als een bijzonder doelwit gezien, omdat het de heilige grond van het kerngebied van de Arabische natie heeft betreden.

Deze missie kende al moordzuchtige aanhangers vóór de aanslagen van 2001. Bin Laden vaardigde zijn Verklaring van het Wereld Islamitische Front voor Jihad tegen de Joden en Kruisvaarders uit in 1998, het jaar waarin al-Qaeda twee Amerikaanse ambassades in Oost-Afrika opblies. Maar een eerlijke inschatting van de stand van zaken ná 11 september 2001 moet tot de slotsom komen dat het aantal jihadisten en sympathisanten sindsdien waarschijnlijk vele malen groter is geworden. En dat is bovendien voor een deel gebeurd als gevolg van de manier waarop Amerika heeft gereageerd.

De eerste van de twee oorlogen die George Bush lanceerde na 11 september leek aanvankelijk een succes, en vergeleken met de tweede is dat nog steeds zo. Al-Qaeda opereerde openlijk in Afghanistan en genoot de bescherming van het Talibaan-regime, dat het verzoek van Amerika afwees om Bin Laden uit te leveren. Amerika’s invasie, een maand nadat Amerika zelf was aangevallen, kreeg daarom brede internationale steun.

Het vechten eindigde snel en de politieke nasleep verliep zo goed als mocht worden verwacht in een staatsbestel dat zo ingewikkeld is als dat van Afghanistan. In 2004 hebben de eerste vrije verkiezingen ooit het presidentschap van Hamid Karzai gelegitimeerd. Een krakkemikkig maar representatief parlement trad in 2005 aan. Het land wordt geplaagd door krijgsheren en opiumhandel, en Talibaan-strijders hebben in het zuiden de aanval ingezet. Maar het lijkt er nog niet op dat ze in staat zullen zijn de nieuwe regering in Kabul omver te werpen.

Ook al is Bin Laden zelf de Amerikaanse strijdkrachten in Afghanistan ontglipt, de invasie heeft al-Qaeda beroofd van een veilige basis voor planning en training. Deze prestatie werd echter tenietgedaan door de gevolgen van de tweede oorlog van Bush: de invasie van Irak in maart 2003. Daar vallen, drieëneenhalf jaar later, iedere maand honderden mensen ten prooi aan geweld en terrorisme, waardoor de jihadisten worden voorzien van een banier waaromheen zij zich kunnen scharen en van een arena, waarin zij hun militaire vaardigheden kunnen beproeven.

Waarom is Irak er zoveel slechter aan toe dan Afghanistan? Niet alleen wegens de bekende staalkaart van Rumsfeldiaanse incompetenties ( het ontbinden van het Iraakse leger, het sturen van te weinig Amerikaanse troepen) maar ook door toedoen van al-Qaeda zelf. Net als de meeste soennitische extremisten zien sommige al-Qaeda-leden shi’itische moslims als feitelijke afvalligen. Abu Musab al-Zarqawi, de leider van de beweging in Irak, slaagde er vóór hij in juni werd gedood in zóveel aanvallen op shi’ieten en hun heilige plaatsen te organiseren, dat de shi’ieten na lang rustig te zijn gebleven eindelijk terugsloegen, waardoor de opstand tegen de Amerikanen en de nieuwe regering ontaardde in een bittere sectarische oorlog.

Als Irak er beter aan toe zou zijn geweest, zouden minder mensen zijn blijven klagen dat deze oorlog, anders dan die in Afghanistan, in zonde is verwekt. Hoe weerzinwekkend hij ook was, Saddam Hoessein had geen banden met al-Qaeda of het complot van 11 september. Bovendien bleken de beweringen van vóór de oorlog van Amerika en Groot-Brittannië, dat hij de Veiligheidsraad had getart door vast te houden aan zijn verboden chemische en biologische wapens, en naar kernwapens te blijven zoeken, vals te zijn. In de slag om de wereldopinie had deze vergissing, als het tenminste een vergissing was, rampzalige gevolgen.

Bush en Blair probeerden een duidelijk mandaat van de Verenigde Naties voor de oorlog te verwerven, maar slaagden daar niet in. Door de invasie toch door te zetten zonder zo’n mandaat, maakten ze zichzelf kwetsbaar voor de beschuldiging dat de oorlog onwettig was. Dat zou minder belangrijk zijn geweest als de massavernietigingswapens echt hadden bestaan. Toen aan het licht kwam dat dat niet het geval was, begonnen moslims – en vele anderen – te veronderstellen dat ze alleen maar als voorwendsel waren gebruikt. Uit opiniepeilingen blijkt dat miljoenen moslims nu geloven dat het Amerika’s ware doel was om de olie van Irak te bemachtigen, Israel te helpen, of – wat Bin Laden de hele tijd al had gezegd – gewoon ten strijde te trekken tegen de islam.

In Los Angeles betoogde Tony Blair vorige maand dat de invasie ten doel had de gematigde moslims te steunen tegen de reactionairen en de democratie tegen de dictatuur te verdedigen. Zulke argumenten gaan in het Westen niet langer op, laat staan in de moslimwereld. Als het alleen maar om de strijd tegen de dictatuur ging, hoe zit het dan met de door het Westen omhelsde dictatuur in Saoedi-Arabië en met de quasi-dictatuur in Pakistan?

Bovendien hadden de gruwelen van het Irak van vóór de invasie niets te maken met de innerlijke demonen van de islam. Het regime van Saddam Hoessein was een seculiere dictatuur, waarin islamisten van ieder pluimage zich gedeisd hielden. Het is waar, en zeer prijzenswaardig, dat zodra Amerika en Groot-Brittannië Saddam hadden afgezet, zij hebben geholpen in Irak vrije verkiezingen te organiseren. Zij hebben gelijk als zij de nieuwe Iraakse regering steunen en democratie elders in de Arabische wereld bepleiten. Maar het doen voorkomen alsof de hele onderneming vanaf het begin heeft gedraaid om een experiment in de democratie maakt de moslims alleen maar bozer. Met welk recht val je een ander land binnen om een bepaalde regeringsvorm op te leggen?

Wat er verder ook mag gebeuren, Irak is tot nu toe een eigen doelpunt geweest in de strijd om de harten en geesten – en niet alleen die van moslims. Het Westen schaarde zich vijf jaar geleden achter Amerika. Nu is het verdeeld: uit peiling na peiling blijkt een diepgeworteld wantrouwen onder Amerika’s traditionele bondgenoten, een wantrouwen dat samenwerking op alle andere fronten, van de non-proliferatie van kernwapens tot de wereldhandel, veel moeilijker maakt.

Toch is ook niet alles gegaan zoals al-Qaeda zich dat had gewenst. Want als – zoals het brouwsel van fatwa’s suggereert – het Bin Ladens langeretermijndoel was om de pro-Amerikaanse regimes in de moslimwereld omver te werpen en op die manier een nieuw kalifaat te vestigen, dan heeft hij gefaald.

Dat komt niet alleen doordat zulke regimes beschikken over krachtige repressiemiddelen, maar ook doordat de hoogdravende doelstellingen en gruwelijke methoden van de jihadisten hebben voorkomen dat ze de haat tegen Amerika hebben kunnen omzetten in een honger naar revolutie in eigen land. Het is de buren van Irak niet ontgaan dat de meeste slachtoffers van al-Qaeda daar medemoslims waren. Jihad in abstracte zin, of heel ver weg, is misschien allemaal best, maar aanslagen binnen landen als Indonesië, Turkije en Jordanië, waar de slachtoffers voornamelijk moslims waren, hebben de lokale mensen de missie van al-Qaeda de rug doen toekeren.

Die missie is het eigenlijk beter vergaan in het Westen zelf, onder degenen wier identiteit als moslim belangrijker is geworden dan hun loyalitet jegens het gastland. Op 7 juli vorig jaar bliezen vier heel gewone, in Engeland geboren moslims zichzelf op in de Londense metro. Ze lieten videobanden met martelaarsboodschappen na, waarin ze in onvervalst Yorkshire-accent stellen dat ze het idee hadden dat ‘ons volk’ in oorlog is met ‘jullie volk’. De Britse politie beweerde afgelopen maand een doorwrochter complot, eveneens van Britse moslims, te hebben verijdeld

Voor veel ontvankelijke moslims is de boodschap dat hun geloof overal onder vuur ligt klaarblijkelijk onweerstaanbaar. Jihadisten zijn zeer bedreven in het aaneensmeden van het ‘verzet’ in Palestina, Libanon, Kashmir, Tsjetsjenië, Irak en Afghanistan tot één enkel verhaal van vervolging door ongelovigen. Van de vijftien tot achttien miljoen moslims die in Europa leven (exclusief Turkije) is het percentage dat met de terroristen sympathiseert klein. Maar de kapers bewezen in Amerika, evenals de bommenleggers van maart 2004 in Madrid, dat kleine aantallen terroristen verwoestende resultaten kunnen boeken – en een klein percentage van vijftien miljoen is nog steeds veel.

Voor een niet-gelovige lijkt het idee van de jihadisten dat hun geloof overal onder vuur ligt absurd. Hoe kunnen conflicten die zó verschillend zijn als die in Palestina, de Kaukasus, Kashmir en op de Balkan, en zelfs dat in Oost-Timor, worden gezien als onderdelen van een alomvattende samenzwering tegen de islam? In Kosovo kwam de Navo nota bene tussenbeide om moslims tegen christenen te beschermen, niet andersom. En toch is een zorgwekkende recente ontwikkeling de opkomst in Amerika van een soortgelijke, tegengestelde vertekening van de werkelijkheid. Dat is het idee dat het Westen en de waarden waar het voor staat overal onder vuur liggen van één en hetzelfde gesloten front, dat Bush het ‘islamitisch fascisme’ is gaan noemen, alsof dit conflict lijkt op de Tweede Wereldoorlog of de Koude Oorlog tegen het communisme. „We bevinden ons in de vroegste fase van wat ik zou willen omschrijven als de Derde Wereldoorlog”, zei Newt Gingrich, een voormalige Republikeinse voorman in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden in juli.

Het is verkeerd om op deze manier naar de wereld van na 11 september 2001 te kijken, alsof ieder lokaal conflict onderdeel is van een botsing der beschavingen. Gingrich had het over de oorlog in Libanon. Maar niet iedere islamistische beweging wordt geïnspireerd door het gedachtengoed van al-Qaeda. In Palestina is Hamas een vrome (en venijnige) versie van een nationale bevrijdingsbeweging met lokale doelen, níet het zoveelste front in een wereldwijd conflict. Hetzelfde geldt min of meer voor Hezbollah, behalve dat die beweging tevens een instrument in handen van Iran is. En Iran zelf kan beter worden begrepen als een assertieve opkomende (en gevaarlijke) macht, die toevallig een theocratische constitutie heeft, dan als een bondgenoot van al-Qaeda, wiens gedachtengoed afkomstig is van een andere stroming binnen de Islam.

Al-Qaeda heeft het terrorisme niet uitgevonden. In zijn Baader-Meinhof of Lichtend Pad of Ierse of Baskische of Palestijnse verschijningsvorm vormde het terrorisme de achtergrondruis tijdens het tweede deel van de twintigste eeuw. Maar 11 september leek een voorteken te zijn van iets nieuws. De meeste voorgaande terroristische organisaties hadden eisen waarover kon worden onderhandeld, en betrachtten daarom enige terughoudendheid. De megalomane doelstellingen van al-Qaeda – het omverwerpen van regimes, het omkeren van de geschiedenis en het in ere herstellen van het kalifaat – gaan samen met een moordlust die geen grenzen kent. De organisatie zegt openlijk op zoek te zijn naar kernwapens.

Massaterrorisme door islamitische extremisten blijft een gevaar. Zeggen dat de vergissingen van Amerika dat gevaar hebben doen toenemen is niet hetzelfde als zeggen dat Amerika het veroorzaakt heeft. Het is belangrijk om te onthouden wie wie vijf jaar geleden aanviel. De islam kende zijn dodelijke en onuitgewerkte grieven al vóór de oorlog in Irak en vóór 11 september 2001. De wereld moet nog steeds proberen al-Qaeda te vernietigen en vooral het gedachtengoed dat de beweging vertegenwoordigt. Maar dat kan beter gebeuren met slimmere middelen dan president Bush tot nu toe heeft ingezet.

© The Economist Newspaper Limited, London (1 sept 2006)Vertaling: Menno Grootveld