De schokkende waarheid

Het werk van de radicale denker Alain Badiou wint de laatste jaren sterk aan populariteit. Zijn wijsgerige passie is indrukwekkend. Maar zijn filosofie van het heldhaftige gebaar, heeft ook een bedenkelijke kant.

Studentenrellen op 16 maart j.l. in Parijs Foto Olivier Laban-Matei/AFP A demonstrator throws a barricade to riot policemen, 16 March 2006 in Paris, after a demonstration as part of students protests planned today across France to force the government to drop the First Employment Contract (CPE), an open-ended contract for under 26-year-old that can be terminated within the first two years without explanation. President Jacques Chirac has appealed for dialogue to resolve the conflict pitting unions, student groups and the political left against the centre-right government, with strikes and sit-ins closing down or disrupting studies at more than half the country's universities. AFP PHOTO OLIVIER LABAN-MATTEI
Studentenrellen op 16 maart j.l. in Parijs Foto Olivier Laban-Matei/AFP A demonstrator throws a barricade to riot policemen, 16 March 2006 in Paris, after a demonstration as part of students protests planned today across France to force the government to drop the First Employment Contract (CPE), an open-ended contract for under 26-year-old that can be terminated within the first two years without explanation. President Jacques Chirac has appealed for dialogue to resolve the conflict pitting unions, student groups and the political left against the centre-right government, with strikes and sit-ins closing down or disrupting studies at more than half the country's universities. AFP PHOTO OLIVIER LABAN-MATTEI AFP

Alain Badiou: De twintigste eeuw. Vertaald door Frans de Haan. Ten Have, 230 blz., € 25,00

Alain Badiou: De ethiek. Essay over het besef van het Kwaad. Vertaald door Rokus Hofstede. IJzer, 129 blz, € 17,50

Richard de Brabander (red.): Het uur van de waarheid. Alain Badiou, revolutionair denker. Ten Have, 150 blz., € 16,90

Al decennia lang heet het denken in Parijs op sterven te liggen, en steeds opnieuw weigert het hardnekkig te overlijden. Sinds de dood van Jacques Derrida, de laatste grote postmoderne denker, bijna twee jaar geleden, leek de Franse filosofie definitief verweesd, zoals ze dat een kwart eeuw eerder na de dood van Jean-Paul Sartre ook al geleken had.

Maar zoals toen postmoderne denkers als Derrida, Deleuze en Foucault de fakkel overnamen, zo heeft de Franse filosofie ook nu een nieuwe ster. Het werk van Alain Badiou wordt alom vertaald en becommentarieerd. In Frankrijk haalde zijn boek De ethiek verrassend hoge oplagen, net als zijn historische terugblik De twintigste eeuw. Beide boeken zijn inmiddels in het Nederlands vertaald (een derde is in aantocht) en in de zojuist uitgekomen bundel Het uur van de waarheid wordt Badiou’s gecompliceerde denken in kort bestek toegankelijk gemaakt.

Een jong talent is Badiou allerminst en het is dan ook niet zozeer een generatiebreuk die hem scheidt van de Franse postmodernisten, maar het relativisme waardoor hun filosofie getekend is. Het moet de wijsbegeerte weer opnieuw om de waarheid te doen zijn, zo betoogt Badiou. De wereld waarin wij leven (het ‘zijn’) heeft universele kenmerken, die voor ieder mens van betekenis zijn. Die moet de filosofie dan ook zien op te sporen en daarbij moet ze zich laten leiden door de wetenschap, vooral door de strengste onder hen: de wiskunde.

Dat betekent niet dat de Franse filosofie met Badiou is teruggekeerd naar een bedaard en analytisch soort filosofie. De wiskundige radicaliteit vormt bij hem eerder een breekijzer en wapen tegen de liberaal-kapitalistische consensus, die de laatste decennia in zowel de politiek als de wijsbegeerte dominant is geworden. Maatgevend voor hem zijn dan ook de grote revolutionaire omwentelingen van de laatste twee eeuwen: ‘De Franse Revolutie, de Parijse Commune, Oktober 1917, de gevechten voor de nationale bevrijding, of mei ’68.’

Als we bedenken dat ook de Chinese Culturele Revolutie in zijn boeken vaak als referentie dient, dan is dat een nogal verontrustende lijst. Is de Russische Revolutie niet synoniem geworden met een totaal mislukt, verwoestend politiek project? Was haar Franse voorloopster, naast de bekroning van de Verlichting, niet ook de opstap naar het eerste terreurbewind? En is mei ’68, waarvan de gewelddadigheid in vergelijking bijna aandoenlijk is, werkelijk een revolutie die vandaag de dag nog ernstig wordt genomen?

Badiou neemt haar ernstig, in de vastbesloten wil – zo verkaart hij – trouw te blijven aan haar waarheid en aan die van alle andere maatgevende omwentelingen. Dat zijn grote woorden, maar ze vormen dan ook het hart van zijn filosofie. Waarheid is de nieuwe ruimte die open komt te liggen wanneer oude, verstikkende verhoudingen doorbroken zijn. En trouw is de ethische opdracht die daarmee gepaard gaat: de wil om de bevrijding die zich daarin voltrokken heeft niet opnieuw te laten verstikken – zelfs niet door de nieuwe voorschriften, moraal en misschien zelfs terreur die na de revolte moet zorgdragen voor een retour à l’ordre.

Dat klinkt plotseling buitengewoon romantisch en het is ongetwijfeld aan dit grote heldengebaar te danken dat Badiou’s verhandeling over De ethiek (aanvankelijk geschreven voor de middelbare-schooljeugd) zo’n grote weerklank heeft gevonden. Daarin lijkt dit boekje de verre echo te zijn van Sartres bondige verhandeling Existentialisme is humanisme, dat direct na de Tweede Wereldoorlog veel begeestering wekte. Plotseling was daar een filosofie die niet alleen de wereld wilde verklaren, maar ook relevant wilde zijn voor het dagelijks leven en daarin een nieuwe roep tot vrijheid liet klinken. Vastbesloten diende de mens zijn bestaansroeping op zich te nemen, had ook Heidegger ver vóór die oorlog al geroepen – met een even grote existentialistische koortsachtigheid tot gevolg.

Met de ineenstorting van de communistische wereld leek iedere politieke avontuurlijkheid in één klap in diskrediet te zijn geraakt. De daaropvolgende decennia kenmerkten zich op de linkerflank vooral door politieke ingetogenheid, die met lede ogen moest aanzien hoe er intussen een nieuwe liberale wereldorde werd ingericht. Badiou’s onversneden woede over die wisseltruc – mensenrechten vormen volgens hem vaak de dekmantel van een nieuw imperialisme – raakt een gevoelige snaar bij een generatie die in de politiek iets méér wil zien dan beheer en behoud van het bestaande.

Anti-kapitalistische tractaten als Empire en De menigte van Toni Negri en Michael Hardt zijn populaire literatuur in de anti-globalistische beweging – die in de radicale ogen van Badiou overigens weinig meer is dan een rimpeling in de kapitalistische vijver. Vrijwel alles wat gewoonlijk ‘politiek’ wordt genoemd, is volgens hem die naam nauwelijks waardig. Het handwerk van alledag is er voornamelijk op gericht de zaken min of meer in het gareel te houden – en daarmee dat de maatschappelijke verhoudingen niet werkelijk veranderen.

Geheel in strijd met de tijdgeest heeft Badiou dan ook weinig waardering voor Hannah Arendt, die politiek vooral als een gereglementeerde discussie van de samenleving met zichzelf beschouwde. Zo’n vrijblijvende discussieruimte miskent immers dat het gesprek ook ergens over moet gaan, zo werpt Badiou tegen, en dat de inhoud daarvan niet vrijblijvend is. De agenda moet bepaald worden door een urgentie die door niemand kan worden ontkend of genegeerd, omdat zich in het politieke leven gebeurtenissen voordoen die absoluut maatgevend zijn. Dergelijke ‘evenementen’ zijn de eerder genoemde revolutionaire omwentelingen.

Evenementen bestendigen de wereld niet, maar schokken en doorbreken de gang van de geschiedenis. Ze scheppen iets nieuws binnen een situatie die verstard en vastgelopen is geraakt. Aan de vooravond van ‘mei ’68’ merkte een minister tegenover het staatshoofd op dat ‘Frankrijk zich verveelde’; aan de vooravond van de Franse Revolutie barstte de economische macht van de burgerij uit het nauwe keurslijf waarin het politiek was ingesnoerd. Misschien vormen die twee vaststellingen een ironische maat voor de diepgang van beide gebeurtenissen, maar een feit is dat erna niets meer was zoals daarvoor.

Ethisch neutraal zijn dergelijke veranderingen echter niet. Zij slaan als het ware een gat in de geschiedenis, waardoorheen een nieuwe vrijheid binnenstroomt. De mens is opnieuw in staat zichzelf ‘uit te vinden’. Losgemaakt uit alles wat hem vastbond (staat en stand, gezin, geslacht en vooral alles wat dat aan plichten en beperkingen met zich meebrengt) vormt hij als het ware zijn eigen materiaal. De twintigste eeuw, zo schrijft Badiou in zijn terugblik over de afgelopen honderd jaar, heeft dan ook voornamelijk in het teken gestaan van de uitvinding van de ‘nieuwe mens’, die leefde vanuit de overtuiging dat niets in hem is voorgegeven of voorbestemd. De dood van God, die aan het einde van de negentiende eeuw door Nietzsche werd geproclameerd, bevrijdde hem niet alleen van het bovenmaanse, maar vooral van de vergissing vastgekluisterd te zijn aan een bepaalde, door God ingeschapen natuur en de daarbij behorende verplichtingen en verhoudingen.

Ondanks al dit romantische pathos is dat bij uitstek een Verlichtings-gedachte, die bijna vanzelf een bondgenootschap met de wetenschappen aangaat. De dood van God, de verdamping van een eeuwige en onveranderlijke menselijke natuur, het besef dat alleen de aardse werkelijkheid bestaat en dat zij vanuit haar eigen wetten moet worden begrepen, maken allemaal deel uit van de achttiende-eeuwse erfenis, waarmee de mens voor het eerst zijn eigen en enige autoriteit werd. Dat mondde uiteindelijk uit in Sartres oproep tot onbegrensde menselijke vrijheid, die echter (zeker aanvankelijk) nog een veel te individualistisch stempel droeg. Maar een filosofie die waarheid zoekt, zoekt die voor alle mensen, aldus Badiou.

Nadat het postmoderne denken verklaard had dat een allesomvattende filosofische theorie van de werkelijkheid voorgoed onmogelijk geworden was, tracht Badiou die impasse sinds het midden van de jaren tachtig te boven te komen door langs wiskundige wegen een nieuwe zijnsleer te ontvouwen. Eén ding onderscheidt hem daarbij echter van zijn middeleeuwse voorgangers. Anders dan zij kan hij niet meer uitgaan van de gedachte dat de wereld bijeengehouden wordt door de éénheidsscheppende wil van God. Als er geen bovennatuur meer is, dan is het ‘zijn’ alleen nog terug te vinden in een wereld van verstrooiïng. Het enige wat bestaat zijn afzonderlijke dingen, standen van zaken en losse ideeën. Daar moet de filosofie het voortaan mee doen.

Om in die verdeeldheid enige coherentie te krijgen doet Badiou een beroep op de verzamelingsleer die in het begin van de twintigste eeuw in de wiskunde werd ontwikkeld. Ook dát was een revolutie die de mathematica een ‘nieuw begin’ gaf dat vanaf dat moment onontkoombaar was geworden, aldus Badiou. De filosofie houdt zij twee uiterst belangrijke ontdekkingen voor. Ten eerste blijkt het de verzamelingenleer niet te lukken binnen haar domein een laatste, alomvattende éénheid tot stand te brengen. En dat betekent dat ook de filosofie – die het wiskundige model volgt – de werkelijkheid (het ‘zijn’) alleen maar kan denken als een veelheid die nooit tot volledige coherentie te brengen is. Haar waarheid heeft de vorm van een ‘inconsistente veelheid’.

En daarmee is ook de tweede les die Badiou aan de wiskunde ontleent gegeven. Elk wiskundig stelsel begint met een axioma, dat niet verder gefundeerd wordt, zo stelt hij vast. De ‘waarheid’ en betekenis ervan blijkt slechts in de doorwerking ervan en de stellingen waartoe het grond biedt. Raakt het uitgeput of loopt het vast, dan zal het springen en plaats moeten maken voor een ander axiomatisch systeem.

Zo gaat het volgens Badiou niet alleen in de wetenschap, maar ook in de politiek, de kunst en zelfs de liefde. Ook die laatste begint immers met een allesomverwerpend moment. De ontmoeting waaraan de verliefdheid ontspringt is toevallig, maar is tegelijk een punt van absolute waarheid: hiernaar zal in het vervolg heel ons leven zich richten. Tegelijk weet niemand nog wat dit (‘axiomatische’) aanvangspunt in petto heeft. De betekenis ervan zal zich pas gaandeweg ontvouwen, vanuit het nulpunt waarin het leven zich als het ware opent. In dat laatste, aldus Badiou, komt de waarheid van de (incoherente) wereld tot uitdrukking, omdat het ons losscheurt uit alles wat vast leek te liggen, en van daaruit zijn wij geroepen tot een ethiek van trouw. Die twee (waarheid en trouw) horen bij elkaar, zoals zo mooi tot uitdrukking komt in de Engelse liefdesvraag: ‘Are you true, my love?’

Dit bijna idyllische intermezzo neemt echter de bedenkelijkheid van Badiou’s aanstekelijke radicalisme niet weg. Veelzeggend in het liefdesvoorbeeld is dat het zich concentreert op de passie en de verliefdheid, die slechts een aanvangsmoment vormen van het doorsnee-huwelijksleven. Een dergelijke concentratie op de top-momenten kenmerkt ook Badiou’s filosofie van de andere drie gebieden waarin volgens hem de waarheid zich toont: wetenschap, kunst en politiek. Het zijn de revoluties die ertoe doen. Alles wat daartussenin zit is slechts beheer, ‘opinie’ en administratie.

Vreemd is het dan ook niet dat Badiou met onverholen minachting spreekt over de mensenrechten en het humanitaire discours dat de mens slechts als slachtoffer kan zien en daarmee zijn wilskracht fnuikt. De passie om de wereld te willen veranderen en een nieuwe mensheid te scheppen is sinds de jaren tachtig uit de politiek verdwenen, zo klaagt hij in De twintigste eeuw. De plaats daarvan is ingenomen door een bleek liberalisme, dat achter het mombakkes van de hulpverlener de aloude tronie verbergt van een roofzuchtige klasse die slechts belang heeft bij de status quo.

Erg nieuw zijn deze aantijgingen niet, al krijgt men bijna bewondering voor de onboetvaardige felheid waarmee Badiou hen tegen de klippen op blijft herhalen. ‘Voorzichtigheid’ of ‘nuance’ zijn woorden die in zijn vocabulaire niet voorkomen, tenzij als verwijt. En daarmee wordt het filosofische probleem van deze revolutionaire denker zichtbaar. Trouw aan zijn wijsgerige opdracht is hij immers wel degelijk wanneer hij de grondslagen van ons denken op alle mogelijke gebieden onderzoekt, en vooral wanneer hij dat zo grondig en systematisch doet als in zijn hoofdwerken gebeurt.

Maar filosofische systemen zijn nooit geheel dwingend, hoe virtuoos ze ook worden geënt op de onweerlegbare logica van de wiskunde. Tussen wetenschap en politiek kiert altijd een kloof, die de filosofie hoogstens kan overbruggen door middel van een analogie: de één is zoals de ander. Maar in welk opzicht dat zo is, hoe ver die overeenkomst gaat en wat daarbij wordt weggelaten, is een kwestie van filosofische beslissing, waaraan elke wetenschappelijke noodzaak ontbreekt.

Wanneer de filosofie radicale vragen stelt, neemt ze altijd een risico. Inderdaad is het binnen het naoorlogse politieke denken nauwelijks mogelijk, laat staan ‘fatsoenlijk’, het democratische parlementarisme werkelijk ter discussie te stellen. Dat Badiou dit onfatsoen op zich neemt, siert hem als filosoof. Maar het wettigt niet het radicalisme waarmee hij vervolgens de ‘alledaagsheid’ (van mensenrechten tot de sleetse liefde en politieke prudentie die ‘de boel bijeen houdt’) minacht uit naam van een wijsgerige topervaring.

De populariteit van Badiou’s denken is een op zijn minst gemengde zegen. Verheugend is daarin de wil tot filosofische inspanning en grondigheid – wàt men van Badiou’s gebruik van de wiskunde ook vinden mag – en zijn beroep op de wijsgerige passie. Tegelijk is die laatste ook zijn achilleshiel. Het ontbreekt in zijn axiomatiek zowel principieel als feitelijk aan de mogelijkheid van distantie en zelfkritiek. Dwars door alle wiskundige gestrengheid heen onderscheidt uiteindelijk dat laatste de denker van de rattenvanger.