De grens puin

De films van Oliver Stone gaan vaak over de bereidheid om grote offers te brengen. In ‘World Trade Center’, over de aanslagen van 11 september 2001, gaan twee agenten onwetend en onvoorbereid de torens in. Zij zijn het offer, al hebben ze daar zelf geen weet van.

Volgens Ronald Reagan is het altijd ochtend in Amerika. Zijn uitroep ‘It’s morning in America’ maakt duidelijk dat toekomst in de eerste plaats iets is waar je zin in moet hebben, iets om naar uit te kijken als naar de grote vakantie.

De enige succesvolle revolutie van de afgelopen decennia is die van het optimisme en de zelfhulp. De gemiddelde beursgenoteerde onderneming heeft een commandostructuur en een zelfdiscipline die de zelfdiscipline van meer tradionele revolutionaire bewegingen doet verbleken. De ware kapitalist functioneert als een revolutionair en zoals een revolutionair betaamt is hij bereid offers te brengen voor zijn doel.

In Oliver Stones film Wall Street (1987) houdt de venture capitalist Gordon Gekko (Michael Douglas) een speech voor aandeelhouders van een papierbedrijf. „Greed, for the lack of a better word, is good”, zegt Gekko en deze uitspraak is inmiddels net zo beroemd als Reagans geloof in de ochtend.

Zonder hebzucht zou er nooit enige vooruitgang zijn geweest, beweert Gordon Gekko. Hij is zeker niet de eerste die op dit idee kwam. Desondanks werd deze Gekko symbool voor de jaren tachtig, het yuppiedom, het geloof dat de beurs nooit meer omlaag zou gaan, het materialisme en zelfverzekerde optimisme dat zo in de mode was, en dat eigenlijk nog steeds in de mode is.

Wellicht bedoelde Oliver Stone Wall Street en Gekko als een aanklacht tegen de hebzucht als levensovertuiging. Maar zoals sommige anti-oorlogsfilms stiekem toch reclame voor oorlog zijn omdat ze die oorlog ondanks alles romantisch en heroïsch voorstellen, zo is Wall Street gelukkig meer dan een aanklacht tegen de onoverwinnelijke menselijke hebzucht. Er zit, het moralistische einde niettegenstaande, iets dubbelzinnigs in Wall Street. Er zit iets dubbelzinnigs in het oeuvre van Oliver Stone.

In Scarface (1983) geschreven door Oliver Stone en geregisseerd door Brian De Palma klimt een kleine Cubaanse crimineel, Tony Montana (Al Pacino), in Miami op tot machtige drugshandelaar. En daalt vervolgens ook razendsnel weer af. Deze Montana lijkt op de venture capitalist Gekko. Allebei menen ze een korte route naar boven te hebben gevonden. Snel rijk en snel gelukkig, inderdaad. Als je dan al besloten hebt rijk en gelukkig te worden, waarom niet snel? Op wie of wat moet je in godsnaam wachten? Dat is de kwintessens van Amerika. Dat is de kwintessens van de revolutie.

Zowel Montana als Gekko komen ten val. Niet omdat ze te hard zijn, of niet zouden geloven in hun revolutie, maar omdat ze een zwak moment kennen. Montana weigert een auto op te blazen waarin een kind zit. En Gekko kan het niet verdragen dat zijn kroonprins Bud Fox (Charlie Sheen) hem verraden heeft. Hij wil Fox een lesje leren, in plaats van de verrader voor altijd te negeren.

Het mag dan lijken alsof Stone

niet moe wordt ons te vertellen dat het niet loont om af te snijden als je naar de top wilt, maar telkens weer raakt hij gefascineerd door personages die nu dat juist doen. En daarmee verraadt hij ondanks zichzelf waar zijn sympathie ligt. Toch bij een Gekko, toch bij een Tony Montana.

Zo geeft Wall Street een goed beeld van iets wat zowel een deugd als een zonde kan worden genoemd. Hebzucht is onontbeerlijk, maar wie ervoor kiest ongeremd hebzuchtig te zijn, moet een prijs betalen. Hij moet bereid zijn een offer te brengen. Met een groepje vrienden kun je heerlijk samen hebzuchtig zijn, maar alleen zolang die hebzucht een vaag plan blijft. De toekomst is aan het offer, of beter gezegd aan hen die bereid zijn het te brengen.

Dat begrijpt Gordon Gekko, dat doorleeft hij. Aan zijn kroonprins geeft hij het advies: „Als je een vriend wilt, koop een hond.”

De harde kern van het oeuvre van Stone bestaat niet uit dergelijke ongetwijfeld ware levenslessen. De kern van dat oeuvre is nu net dat offer, de bereidheid om het te brengen en de onaangename bijkomstigheid dat zij die om het offer vragen vaak corrupt en onkundig zijn.

Neem Ron Kovic (Tom Cruise), die in Born on the Fourth of July (1989) vrijwillig dienst neemt bij de US Marines ten tijde van Vietnam, omdat hij net als zijn vader in de Tweede Wereldoorlog iets voor zijn land wil doen. En hij is bereid daarvoor veel op te offeren, althans aanvankelijk. Ook in Platoon (1986) – niet mijn favoriete maar waarschijnlijk wel de beste Vietnam-film – meldt Taylor (Charlie Sheen) zich vrijwillig bij het Amerikaanse leger om dezelfde reden.

Oliver Stone, die zelf vrijwillig gediend heeft in Vietnam, gaf in een essay aan dat zijn reden om in Vietnam te willen vechten prozaïscher was. Hij was vooral beïnvloed door Tarzan, Clark Gable en Hemingway, noteert hij. En even verderop schrijft hij: „I wanted to go to the bottom of the barrel.”

Wat is daar toch te vinden

op de bodem van het vat, waar komt die aantrekkingskracht van de afgrond vandaan? In Platoon zit een personage, sergeant Barnes (Tom Berenger), gebaseerd op een bestaande sergeant voor wie Stone in Vietnam een tijd de radio heeft gedragen. De man had zeven of acht kogels in zijn lichaam gekregen, een gedeelte van zijn gezicht was verwoest. Eén jaar had hij in een ziekenhuis in Japan gelegen en toen keerde hij vrijwillig naar Vietnam terug. Stone omschrijft deze sergeant als een goede maar wrede soldaat. In Platoon zegt sergeant Barnes op een gegeven moment: „I am reality.”

Daarin schuilt de aantrekkingskracht van de afgrond. Op de bodem van het vat waar geen grenzen zijn, waar alles wat beschaving heet eindelijk van ons is afgeschud, bepaalt de mens die nog leeft wat werkelijkheid is.

De vragen die Stone steeds weer stelt zijn: wat is een mens die niet meer bereid is een offer te brengen? Hoe serieus kunnen we ambitie nemen als de ambitieuze geen offer wil brengen? Hoe groot mag het offer zijn, en als we anderen moeten offeren, wie dan?

Om dat offer goedmoedig te kunnen brengen moet je misschien naar oorlog kijken zoals Ezra Pound het deed. „War is the destruction of good restaurants”, schreef Pound.

Het zijn deze vragen die ook een film als Wall Street zo dubbelzinnig maken. Het cliché dat het leven van een materialist leeg zou zijn, gaat niet op voor Gekko. Hij offert alles op aan zijn hebzucht, en juist dat offer vult zijn leven, geeft het zin en waardigheid.

Wall Street begint en eindigt met een opname van het World Trade Center in Manhattan als symbool voor, ja voor wat? Hebzucht? De ijdelheid van al het menselijke streven? Zeker niet als symbool voor het goede restaurant genaamd Windows on the World, dat zich bovenin een van de torens bevond. Of symboliseren die torens het inzicht dat een land waar het altijd ochtend is geen grenzen mag erkennen?

Marx beweerde dat de bourgeoisie om te kunnen overleven alle maatschappelijke verhoudingen telkens weer moet revolutioneren. Wat is revolutioneren anders dan het doorbreken van grenzen?

Nu heeft Oliver Stone een film

gemaakt over 11 september 2001. Althans over een klein gedeelte van die dag. Over twee politieagenten die bedolven raken onder het puin, het tegen alle verwachtingen in overleven, en over de families van die agenten. Gebaseerd op een waar verhaal. Omdat Stone een controversieel filmmaker heet te zijn, was er verbazing en enige controverse dat deze film, World Trade Center, zo weinig controversieel is.

World Trade Center is een logisch vervolg op de eerdere films van Stone. Twee New Yorkse agenten, John McLoughlin (Nicholas Cage) en Will Jimeno (Michael Pena), worden nadat het eerste vliegtuig zich in het WTC heeft geboord naar de torens gedirigeerd. De reddingsoperatie hangt van amateurisme aan elkaar. Lang nadat het tweede vliegtuig het WTC is binnengevlogen zijn reddingswerkers daarvan niet op de hoogte. Brandweermannen worden eerst naar de ene plek dan naar de andere gestuurd. McLoughlin en Jimeno gaan met een paar andere collega’s de torens binnen. Dapper, met de beste bedoelingen maar onwetend en onvoorbereid. Precies zoals Taylor in Platoon toen hij naar Vietnam gang. En zoals Stone ook zelf was toen hij naar Vietnam ging. Onwetend en onvoorbereid. Al blijft de vraag: kun je je op de hel voorbereiden?

De torens storten in. McLoughlin heeft de tegenwoordigheid van geest om op dat moment zijn mannen naar de liftkokers te dirigeren omdat hij weet dat zich daar het sterkste punt van het gebouw bevindt.

Daar zitten ze dan, onder het puin, eerst met zijn drieën, maar de derde agent sterft al snel. En vervolgens kijk je, zoals vaker bij Stone, naar mannen die naar boven willen, maar niet echt kunnen. In dit geval zeer letterlijk.

In Stone’s films wordt regelmatig getoond hoe mensen aan flarden worden geschoten. Dat is niet altijd prettig om te zien. De claustrofobische en naar mijn idee realistische scènes van deze agenten bedolven onder het puin zijn zo mogelijk nog onprettiger. Des te meer achting moet men hebben voor het acteerwerk van Pena en Cage die het na verloop van tijd toch dat klaarspelen dat je met die twee hoofden in het puin (het lijkt soms een toneelstuk van Beckett) kunt meevoelen.

Deze twee agenten zijn de anti-Gekko. Lagere middenklasse Amerikanen, bescheiden, hardwerkend, familie, kinderen. Hun voorstelling van snelle rijkdom houdt op bij het kopen van een lootje. Hun voorstelling van geluk komt niet veel verder dan een barbecue op een zomerse dag met de familie. Ze zijn anti-revolutionair. Alles moet vooral zo blijven als het was.

Ze willen alleen maar naar boven omdat ze in de hel zijn beland en daar niet te leven valt. Deze agenten zijn het offer. Maar minder nog dan de soldaten uit de Vietnam-films van Stone hebben ze geen idee voor wie of wat ze een offer brengen. Ze wisten niet eens dat ze dat gingen doen. Ze zijn collateral damage dat het geluk heeft nog te leven onder het puin.

Als je het over de bodem van het vat hebt, zoals Stone, dan moet je toch wel concluderen dat dit dé bodem van het vat is. Bedolven worden onder de puinhopen van de torens, meer bodem van het vat wordt het niet. Alleen hier is geen sergeant Barnes die oog in oog met de dood kan verklaren: „Ik ben de werkelijkheid.” Hier is het langzaam stervende hoofd van Nicholas Cage. En de werkelijkheid is het puin waarvan Cage hooguit op zeer bescheiden wijze deel uitmaakt. Hier zijn niet alle grenzen vervaagd en weggevallen, hier zijn ze pas goed duidelijk geworden. Het puin is de grens.

In een interview met de Süddeutsche Zeitung verklaarde Oliver Stone dat het een droom was, een visioen die deze agenten heeft geholpen te overleven. Maar een visioen van wat? In de film zien we even Christus, dus toch hij?

World Trade Center is Stone’s afscheid van Tarzan, Clark Gabel en Hemingway. En net als die andere film over 11 september, United 93 van Paul Greengrass, is ook Stone’s film op een eigenaardige en bescheiden wijze a-politiek. Beide films tonen overtuigend aan dat de staat die geacht wordt zijn burgers te beschermen daar op cruciale momenten niet in slaagt. En daar ook hoogstwaarschijnlijk nooit in zal slagen. Maar al te veel conclusies worden daaraan niet verbonden.

Zoals Platoon al aantoonde dat gevechtshandelingen improvisaties zijn met een hoge kans op fatale fouten. Ongeacht de ervaring van de soldaten.

De afgrond die lokt en kirt, keert in World Trade Center niettemin terug in de vorm van Dave Karnes (Michael Shannon). Dave Karnes is een marinier die hoort van de aanslagen, zijn uniform aantrekt en naar New York afreist om te helpen. Als hij de twee agenten onder het puin vindt en het verzoek krijgt hen niet alleen te laten, antwoordt hij: „We’re not leaving. We are the Marines, you are our mission.”

Volgens de aftiteling is Karnes inmiddels twee keer in Irak geweest om zijn land ook daar te dienen.

De ironie zit niet in

degene die beschouwt, die ernaar kijkt en er krampachig boven probeert te staan, maar in degene die handelt. En soms is de ironie dodelijk.

In de vertrekhal, althans wat daarvoor doorging, van Kandahar Air Field hing de volgende tekst: ‘We are warfighter logisticians and supporters prepared to give the shirts off our backs and boots off our feet to support the fight. We will never – we will never – say ‘no’ as long as we have one gallon of gas to give or one bullet to give.’

Het is niet moelijk deze tekst af te doen als een leugen waarvoor jonge mensen sneuvelen. Een Nederlandse militair vond de bovenstaande woorden al te Amerikaans. En toch kan men de aantrekkingskracht voelen. De dierlijke aantrekkingskracht van alles wat in die twee woordjes verborgen zit: ‘the fight’. Waarvoor ook, waartegen, het dondert niet.

World Trade Center eindigt met een barbecue van de beide agenten en hun families twee jaar na hun wonderbaarlijke redding. Daarvoor hebben we gezien hoe de reddingswerkers van ground zero applaudiseren bij het redden van wat zo ongeveer de laatste levende slachtoffers zouden blijken te zijn. Alsof het woord solidariteit weer betekenis krijgt. En een voice-over vertelt dat de elfde september ook het beste in mensen naar voren bracht. De bereidheid elkaar te helpen om geen enkele andere reden dan dat het juiste is om te doen.

In Amerika is het altijd ochtend, al moeten voor die ochtend soms offers worden gebracht. Wie wil de hogepriester zijn, wie de zwijgende god, wie het offerblok en wie het offer zelf?

Maar bedenk wel: zonder offer is er geen gemeenschap. Zonder offer is er een hond die je vriend kunt noemen en misschien dat niet eens.

‘World Trade Center’ is vanaf 21 september te zien in de Nederlandse bioscopen.