Brandende blik en dwingende fluisterstem

De Vlaamse acteur Julien Schoenaerts excelleerde in mannen die buiten de maatschappij stonden.

Julien Schoenaerts, die gisteravond op 81-jarige leeftijd overleed, was in alle opzichten een acteur die de aandacht naar zich toe zoog. Niet alleen door de vele conflicten waarvan hij het middelpunt werd, en de ziekte die hem langdurig buiten beeld heeft gehouden, maar in de allereerste plaats door de brandende blik en de dwingende fluisterstem die hij zijn personages kon geven – als een man met een geheim waarvan hij slechts af en toe een glimp liet zien.

Schoenaerts was een Vlaming die vooral in de jaren zestig ook in Nederland furore maakte. Als zoon van een stationschef die een verwoed amateurtoneelspeler was, raakte hij al snel betoverd door het theater. Na zijn opleiding, in de jaren vijftig, behoorde hij in eigen land al snel tot de meest belovende acteurs van zijn generatie. In 1962 nam hij echter de wijk naar Nederland uit onvrede met de kwaliteit en de inzet van de Vlaamse theatermakers. Hij begon bij het toenmalige gezelschap Ensemble, waar hij echter na een jaar met slaande deuren (en veel interviews) vertrok omdat hij de voorstellingen beneden peil vond. Schoenaerts’ engagement bij de Nederlandse Comedie duurde enkele jaren langer, maar ook daar ging hij weg. Later werkte hij nog als gast bij het RO Theater en tenslotte, in 1993, bij het Zuidelijk Toneel, als de bode in Medea. Ook speelde hij veel Nederlandse tv-rollen.

In alles wat hij deed, toonde Schoenaerts zich een sensitief acteur met een soms onmatige inzet, die echter met uiterste bedachtzaamheid kon spreken, vaak als een zangerig soort mompelen – en met ogenschijnlijk onlogische pauzes die voortdurend een intrigerende spanning onder zijn woorden legde. Die zoekende voordracht, gevoegd bij zijn hoekige mechaniek, maakte hem bij uitstek tot de vertolker van mannen die buiten de maatschappij stonden, en zich niet in een regulier bestaan konden voegen. Dat gold trouwens ook voor hemzelf. Vanaf de jaren zeventig verdween Schoenaerts steeds vaker, om te worden behandeld voor zijn manisch-depressieve psychoses. De laatste tien jaar van zijn leven bracht hij grotendeels in een kliniek door. Zijn zoon, die toen ook zijn voogd was, sprak ronduit van „periodieke krankzinnigheid”.

Maar af en toe, als hij zich goed genoeg voelde, kwam Schoenaerts weer even naar buiten. In 1999, nadat hij een rolletje in een Vlaamse jeugdfilm had gespeeld, beschreef het blad Humo hem als „verward en zielig”. Zelf zei hij toen echter: „Ik ben een mysterie voor mezelf, maar zijn we dat niet allemaal?” Nu hij dood is, rest hoe dan ook de herinnering aan een man met een machtig toneeltalent die kon spelen alsof zijn leven ervan af hing.