Bedrijfsleven mag uitwassen China’s expansie niet negeren

Sociale onrust in China neemt toe. Het ‘Dongzhou-incident’ na landonteigening was het bloedigste van 87.000 protesten in 2005. Volgens Willem Offenberg kan het Nederlandse bedrijfsleven zich niet veroorloven de kop in het zand te steken.

Moet het Westen zich neerleggen bij de ongemakkelijke positie dat onze belangen parallel lopen aan die van de Chinese Communistische Partij, die het land nog altijd met harde hand bestuurt? In de hoop dat de economische groei voortduurt en uiteindelijk ruimte biedt aan meer openheid en democratie?

Deze prangende vragen stelt Juurd Eijsvoogel in deze krant van 1 september, in zijn rubriek In de wereld. Overigens zonder ze te beantwoorden. Relevant zijn ze zeker, in het bijzonder voor Nederland dat vanaf 10 september de zoveelste handelsmissie naar China organiseert. Onze economie raakt steeds afhankelijker van China’s Wirtschaftswunder. Nederland is na Duitsland China’s belangrijkste Europese handelspartner. Midden- en kleinbedrijven lopen er de deur plat. Het blijft fascineren hoe nieuwe investeerders zich gek laten maken met succesverhalen, dollend met omzetcijfers en winstmarges. Geringe kennis van de wijze waarop Chinezen zaken doen contrasteert daarbij met de geestdrift om een graantje mee te pikken van China’s onstuimige ontwikkeling. Zodra evenwel blijkt onder welke barre omstandigheden sommige producten van toeleveranciers tot stand komen knijpt het bedrijfsleven een oogje dicht. Bovenal wordt gelet op het gunstige investeringsklimaat, geholpen door lage lonen en Chinese partners die, ongehinderd door lastige vakbonden, lak hebben aan de meest elementaire arbeidsrechten.

Frappant is het om te zien hoe tijdens handelsmissies bij matchmaking, het koppelen van potentiële investeerders aan Chinese fabrikanten, vragen achterwege blijven over hoogte van salarissen, veiligheid van de werkplek en secundaire voorzieningen van werknemers. Men is louter geïnteresseerd in de verhouding prijs/kwaliteit van het product.

Vooral in de vuurwerk- , speelgoed-, en textielindustrie blijven misstanden voorkomen. De documentaire ‘China Blue’ (vanaf 14 september in de bioscoop) toont helder hoe naaistertjes van spijkerbroeken hun baas er alleen toe kunnen dwingen achterstallig loon uit te betalen door spontaan te staken.

Opmerkelijk is het hoe moeiteloos Nederlandse zakenlui zich voegen naar lokale zeden en gewoonten. Ze laten zich uitgebreid fêteren door partijbonzen van de Chinese Communistische Partij. Zoals bij de gouverneur van de provincie Guangdong, hoogste verantwoordelijke voor ‘de werkplaats van de wereld’, tevens de meest vervuilde plek op aarde. Er wordt heel wat afgetoast op de ‘innige samenwerking’ met de Nederlanders die er prat op gaan ‘de Chinezen van Europa’ te zijn. Over arbeidsrecht praat men niet.

Tijdens de aanstaande handelsmissie van staatssecretaris Pieter van Geel van VROM naar Guangdong zal het zogeheten ‘Dongzhou-incident’ onbesproken blijven. Op dinsdag 6 december vorig jaar om 10 uur ’s avonds openden in deze provincie speciale eenheden van de politie in het kustplaatsje Dongzhou, vlakbij Hongkong, het vuur op stenengooiende dorpelingen. Met duizenden tegelijk protesteerden zij tegen onteigening van land en woningen. Officieel vielen er drie doden, nabestaanden en internationale belangengroepen als Amnesty International en Human Rights Watch spreken van twintig tot dertig doden.

Een consortium uit Hongkong, eerder betrokken bij de aanleg van een kolencentrale bij het dorp, had buitenlandse investeerders aangetrokken voor een windmolenproject. Een grote Deense producent van windturbines hapte toe. Onmiddellijk na de ophef over de schietpartij in de Deense media haastte het concern zich te verklaren geenszins medeaansprakelijk te zijn – een wrang staaltje eigentijds ondernemen in China. Als eerste reflex wast men de handen in onschuld, al beweer ik niet dat het Deense concern mogelijk betrokken zou kunnen zijn bij het gewelddadig onderdrukken van verzet. Wel illustreert de reactie hoe onhandig het opereert in China. Het zegt alles over onmacht of onbenul van buitenlandse zakenlieden wanneer bruut overheidsoptreden in deze ‘democratische dictatuur’ uit de hand loopt. Veelal wenst men onkundig te blijven van de methoden waarmee de Chinese expansie gepaard gaat. Zoals van de werkwijze van de enige toegestane vakcentrale, de All-China Federation of Trade Unions. In het arbeidersparadijs van weleer ziet de ACFTU er strikt op toe dat arbeidsonrust tijdig de kop wordt ingedrukt.

„We houden ons keurig aan lokale gebruiken en wetgeving”, is het vaste verweer van buitenlandse investeerders. Deze vlieger gaat echter in China niet op. Als middeleeuwse zeden en gewoonten arbeidsters ertoe verplichten hun periode van menstrueren vooraf bij de werkgever te melden (omdat hun productiviteit afneemt), past een moderne werkgever zich dan gewillig aan? Gaat het lot van werknemers van zijn toeleverancier de buitenlandse investeerder niet aan? Ook niet als Chinese media melden dat 40 tot 60 procent van alle werkgevers het officiële minimumloon aan hun laars lapt?

Nederlandse zakenlui moeten de thuis gepraktiseerde ondernemersmoraal niet als ballast overboord gooien zodra ze een voet over de grens zetten. Laat staan blindelings meedoen aan een ‘race to-the-bottom’ in China.

Willem Offenberg is journalist en consultant bij art-mediaconsult. Hij neemt deel als gastdocent aan de studiecyclus ‘China: gevaren en kansen’ van de Universiteit van Amsterdam.