Scholen willen geen academici

De onderwijsraad adviseert de Tweede Kamer over hét probleem van de kenniseconomie: het lerarentekort. Niet alleen zijn er te weinig leraren, ook de gemiddelde kwaliteit daalt. Daarom moet het vak naar een hoger plan door meer loopbaanperspectief, beter betalen en verhogen van het opleidingsniveau. De raad constateert dat het onderwijs ontacademiseert en vraagt het parlement om een onderzoek naar de voorgeschiedenis van een beloningsstructuur die vooral werk buiten de klas goed beloont.

De adviezen van de onderwijsraad zijn sympathiek, maar ook wereldvreemd. Schoolleiders hebben namelijk geld om academici te werven, maar doen het niet en zijn dat voorlopig ook niet van plan. Hun opdracht luidt: houd de hand op de knip, eerst moet de organisatie beter. Het opleidingsniveau van docenten is een sluitpost. Natuurlijk zouden ze soms best anders willen, maar ze hebben eenzelfde budget als de concurrentie, die doet het ook zo en ja inderdaad, dat pakt soms vreemd uit.

Mijn vrouw en ik hebben een doctoraal, staan voor de klas, doen hetzelfde werk, maar ik krijg daar duizend euro per maand meer voor – een twintig jaar geleden verworven recht. In het begin geeft dat niet, niemand gaat het onderwijs in om rijk te worden. Maar na een tijdje begint de rechtsongelijkheid te knagen, dan volgt rondkijken, bijwerken van het cv, verkennen van de exit-route en echt, in een groeiende economie is de uitgang zo gevonden.

Schoolleiders treuren zelden om een dergelijk vertrek. Ze hebben zelf steeds minder vaak een academische achtergrond. De meerwaarde van hooggeschoolde docenten als rolmodel voor kinderen die naar het hoger onderwijs doorstromen, ontgaat hen.

Mijn collega op de universitaire lerarenopleiding wint op zijn faculteit de verkiezing voor de docent van het jaar. Omdat hij ook leraren opleidt, wil hij voor de klas om voeling te houden met de praktijk. Na een telefoontje mag hij komen praten bij een middelbare school. De sectievoorzitter vraagt naar zijn klassenmanagement, een moeilijk woord voor orde houden. Hij geeft college voor zalen met vijfhonderd studenten en haalt zijn schouders op. De zaterdag daarop ziet hij de advertentie – ze hebben liever een ander. Een maand later krijgt hij alsnog elders vier lessen. Zijn sectievoorzitter draagt hem op het leerboek te volgen, een schema geeft het tempo aan. Als hij de stof bestudeert, valt hem op hoe saai die is. Dus probeert hij nieuw materiaal uit. Na een paar weken is het tijd voor een toets. Een leerling protesteert, ze zitten midden in een oefentraject voor het studiehuis, een tussentijds proefwerk past niet in het zelfstandig leren leren. Mijn collega plaatst het verzet in de categorie ‘ludiek leerlingengedrag’. Ten onrechte, een dag later achtervolgt een oververhitte coördinator hem tot op de parkeerplaats. Dat proefwerk is verboden en het klassikaal lesgeven moet ophouden.

Dat twee mensen die me lief zijn het onderwijs verlaten, is een particuliere kwestie. Het punt is dat ze illustratief zijn voor een algemene gang van zaken. Van mijn studenten op de lerarenopleiding pakt een meerderheid na een paar jaar ploeteren op een school de biezen. Uit onderzoeken en statistieken blijkt dat leraren krijgen niet zo moeilijk is, ze houden wel. Frustratie over beloning en baasjescultuur zijn twee veel genoemde motieven voor vertrek.

Scholen maken zich met hun personeelsbeleid onaantrekkelijk voor intelligente en ondernemende buitenstaanders. Leraren die jaren aan een stuk in een school met een vaste aanstelling wachten tot het leven begint, zijn na verloop van tijd niet meer vooruit te branden en worden uit hun lijden voor de klas verlost met een baantje in het middenkader. Zo vormt zich rond de schoolleider een oligarchie die opereert binnen een kwaliteitsvernietigend paradigma. De school draait om hen, daarom verdienen zij het meest. Intellectuelen zijn bedreigende betweters en vinden de hond in de pot.

Ton van Haperen is leraar en lerarenopleider.

    • Ton van Haperen