Zuid-Afrikaanse huurling verliest vrijheid

Staatsgrepen en Zuid-Afrikaanse huurlingen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een nieuwe wet moet Zuid-Afrikanen ervan weerhouden zich te lenen als huursoldaat bij coups of buitenlandse militaire operaties.

Bram Vermeulen

Ze hoopten heel wat „wonga” te gaan verdienen. Dat is Bargoens voor geld, heel veel geld. Maar tegen de tijd dat zeventig huurlingen op 7 maart 2004 in een Boeing 727 een tussenstop maakten op de luchthaven van Harare, Zimbabwe, om brandstof en wapens op te pikken, wisten inlichtingendiensten in vier verschillende landen al over de staatsgreep die de inzittenden dachten te gaan plegen in het Afrikaanse oliestaatje Equatoriaal Guinee.

Aan boord vond de politie al het militaire materieel dat je voor zo’n staatsgreep nodig hebt. Plus meer dan 200.000 euro, en het brein van de operatie: de Britse ex-geheim agent Simon Mann, vriend van het premierszoontje Mark Thatcher, die vanuit Kaapstad de coup zou hebben gepland. De andere passagiers aan boord hadden vrijwel allemaal een Zuid-Afrikaans paspoort.

De verijdelde coup tegen de dictator van Equatoriaal Guinee werd niet alleen inspiratiebron van een aantal filmmakers en boekenschrijvers. Hij bezielde ook de Zuid-Afrikaanse minister van Defensie. Mosioua Lekota joeg deze week met veel bombast een nieuwe wet door het parlement die voorgoed af moet rekenen met alle huurlingenactiviteiten op het grondgebied van Zuid-Afrika.

„Huurlingen ondermijnen democratie en goed bestuur. Ze zijn de plaag van de armste gebieden ter wereld, vooral Afrika”, zei Lekota, die de zeventig procent meerderheid van zijn partij (ANC) gebruikte om goedkeuring van de wet te krijgen. „Dit zijn moordenaars die te huur zijn. Ze lenen hun vaardigheden aan de hoogste bieder, wat de politieke agenda ook is. Iedereen met geld kan hen huren en moordmachines van hen maken, of kanonnenvoer.”

Staatsgrepen en Zuid-Afrikaanse huurlingen zijn de afgelopen vijftig jaar onlosmakelijk met elkaar verbonden, als Belgen en frieten. Zuid-Afrikaanse „dogs of war” zijn vanaf begin jaren zestig verantwoordelijk voor tal van machtswisselingen elders op het continent. Ze vochten in Congo, Angola, Zimbabwe, Mozambique, Sierra Leone. Tijdens en na de apartheid. Eind mei liet de Congolese president Joseph Kabila nog eens 26 buitenlanders, meest Zuid-Afrikanen, vastzetten omdat hij bang was dat ze een coup tegen hem zouden plegen.

De slechte naam die Zuid-Afrikanen in de buurlanden hebben, is al lang een doorn in het oog van de regering van president Mbeki. Mbeki bemiddelt in vrijwel alle Afrikaanse landen getroffen door crisis en conflict, maar ziet zijn zelfbeeld als redder van het continent voortdurend ondermijnd door het uitzendwerk van zijn landgenoten.

De Prohibition of Mercenary Activity and Regulation of Certain Activities in Areas of Armed Conflict Bill moet het antwoord zijn. Alle Zuid-Afrikanen die in de toekomst in het buitenland militair of veiligheidswerk willen verrichten moeten zich nu laten registreren bij een speciale commissie. Wie zijn brood met dit werk verdient maar niet is aangemeld, is voortaan strafbaar.

De wet dreigt een groot probleem te worden voor de Britse en Amerikaanse troepen in Irak en Afghanistan. Naar schatting twee- tot vierduizend Zuid-Afrikanen, meest ex-soldaten in het apartheidsleger, verdienen momenteel goed geld als „veiligheidsadviseur” in die gebieden. Als lijfwacht voor hoge officials, of als bewaker van oliepijpleidingen. Zuid-Afrikanen zijn er geliefd omdat ze goed getraind zijn, en bijna de helft goedkoper dan hun Europese collega’s in de veiligheidsindustrie.

De Britse ambassadeur in Zuid-Afrika, Paul Boateng, heeft sinds het wetsvoorstel vorig jaar op tafel kwam vergeefs geprobeerd de Zuid-Afrikaanse regering op andere gedachten te brengen. Hij maakt zich zorgen over de 800 Zuid-Afrikanen die momenteel door het Britse leger zijn ingehuurd. Volgens de nieuwe wet mogen Zuid-Afrikanen alleen nog werken voor buitenlandse legers die niet bij een „gewapend conflict” zijn betrokken.

Maar de wet zal volgens experts ook operaties hinderen waarmee Zuid-Afrika internationaal goede naam hoopt te maken. „De vredesmissies die Zuid-Afrika in Congo of Soedan namens de Verenigde Naties of de Afrikaanse Unie uitvoert leunen zwaar op particuliere bedrijven”, waarschuwt Henry Boshoff van het Institute for Security Studies. „De vliegvelden, de brandweer, de medische diensten worden allemaal particulier gerund.” Die bedrijven zullen straks minder geneigd zijn Zuid-Afrikanen in te huren die voor de buitenlandse reis nu door een trage bureaucratische molen moeten. Dat was ook de reden waarom de conservatieve blanke oppositie de wet al „broodroof” noemt voor haar achterban. De blanke oud-soldaten die door positieve discriminatie voor zwarten geen carrière kunnen maken bij politie of leger in eigen land, zouden de dupe worden.

Maar dat is niet de zorg van de Zuid-Afrikaanse regering. Een nieuwe wet was nodig om een beschadigd imago te redden. De wet vervangt de Foreign Military Assistance Act, die sinds 1998 al het ronselen van huurlingen verbiedt. Die wet, volgens de kenners vol mazen, voldeed vorig jaar wel om Mark Thatcher te kunnen veroordelen voor zijn aandeel in de verijdelde staatsgreep in Equatoriaal Guinee.

Op twee andere veroordelingen na heeft het openbaar ministerie in de afgelopen acht jaar nooit geprobeerd huurlingen te vervolgen. Geen zin, geen tijd, geen geld was lang het argument. Zelfs al was het lange tijd publiek geheim welke beveiligingsbedrijven wie en waar ronselen. Nieuwe, strengere, wetgeving hoeft daarom niet per se te leiden tot uitholling van het beroep dat sommige Zuid-Afrikanen op het lijf geschreven is.