Vervolgen van militair moeilijker

Het wordt moeilijker een Nederlandse militair strafrechtelijk te vervolgen voor optreden in het buitenland. De wettelijke ‘strafuitsluitingsgronden’ voor militairen in Afghanistan en elders worden ruimer.

De ministers Donner (Justitie, CDA) en Kamp (Defensie, VVD) lieten vanochtend weten de aanbevelingen van de commissie-Borghouts die daartoe strekken, over te nemen. Deze commissie was vorig jaar op verzoek van de Tweede Kamer ingesteld naar aanleiding van de zaak-Eric O., de militair die verdacht werd van overtreding van de geweldsinstructies in Irak maar daarvan later werd vrijgesproken. Deze zaak leidde aanvankelijk tot hevige tegenstellingen tussen het openbaar ministerie en Defensie.

De commissie-Borghouts pleit ervoor een nieuwe bepaling op te nemen in het Wetboek van militair strafrecht. Deze moet luiden: „Niet strafbaar is de militair die geweld gebruikt in de rechtmatige uitoefening van zijn taak.” Dit optreden zou dan wel „in overeenstemming met de regels moeten zijn die voor de uitvoering van deze taak zijn vastgesteld”, oftewel de dienstinstructies en zogeheten rules of engagement van een operatie. Ook geldt de beperking, dat het gestelde doel niet anders dan door geweld kon worden bereikt.

Daarnaast beveelt de commissie aan om in artikel 38 van het Wetboek van militair strafrecht, dat nu strafuitsluiting mogelijk maakt in ‘tijd van oorlog’, de term ‘tijd van oorlog’ te vervangen door ‘gewapend conflict’. Het zou daardoor van toepassing kunnen zijn op vrijwel elk militair optreden in het buitenland, ook bijvoorbeeld in het kader van vredesoperaties. Artikel 38 in zijn huidige vorm was door Kamp vorig jaar van toepassing verklaard op het optreden van ‘special forces’ in Afghanistan, maar geldt bijvoorbeeld niet ten aanzien van de operatie in de Afghaanse provincie Uruzgan. Herziening van artikel 38 was door het kabinet al eerder aangekondigd.

Donner en Kamp kondigden tijdens een persconferentie aan nog voor de verkiezingen van 22 november met een reactie op de voorstellen van Borghouts te komen. Voor desbetreffende wetgeving is het echter te kort dag, aldus een ingewijde. Donner, Kamp en Borghouts benadrukten dat de huidige wet- en regelgeving een individuele militair in het buitenland reeds voldoende rechtsbescherming biedt. De noodzaak van een nieuw wettelijk kader motiveerden de bewindslieden met streven naar „verduidelijking” en „verbetering”.

Een aantal aanbevelingen van de commissie zijn directe lessen van de zaak-Eric O. Zo zou overbrenging van een verdachte naar Nederland voortaan in beginsel in overleg met diens commandant moeten plaats vinden. En het openbaar ministerie zou zonder problemen inzage moeten krijgen in de rules of engagement van een operatie, die in beginsel militair geheim zijn. De marechausseecommandant te velde die belast is met het opsporingsonderzoek, zou ten minste de rang van kapitein moeten hebben.