Langere reistijden

De nieuwe dienstregeling voor de trein is de enige vorm van hogere wiskunde die heftige emoties oproept in het land. Geen wonder, want het gaat om de dagelijkse reis van honderdduizenden mensen. Voor sommige pendelaars tussen woning en werk, onder wie Kamerleden, betekent het spoorboekje van 2007 dat ze elke dag twintig minuten extra onderweg zullen zijn. Er zijn ook reizigers die erop vooruitgaan, maar reizigersorganisatie Rover zegt in tegenstelling tot de NS dat over het geheel genomen de passagier langer onderweg is. Een intern memo van de NS waarschuwt voor een tekort aan rijtuigen. Dus misschien moet die langere reistijd tijdens het spitsuur ook nog staande in een opeengepakte menigte worden doorgebracht.

Het ligt voor de hand dat de Tweede Kamer en het ministerie van Verkeer en Waterstaat willen meepraten over de dienstregeling, omdat de NS een overheidsbedrijf is, zij het dat het op afstand is geplaatst en meer vrijheid van handelen heeft dan toen het nog nauw verbonden was met het ministerie. Politici kunnen het spoorboekje niet precies narekenen, net zomin als ze de wissels kunnen bedienen. Wel kunnen ze het resultaat vooraf beïnvloeden. Als politici eraan hechten dat de reistijd van en naar het noorden niet langer wordt, dan hadden ze dat in de concessie aan de NS moeten vastleggen. Nu dat niet is gebeurd, wordt het moeilijk om de verlenging van bijvoorbeeld de reis Amsterdam-Groningen terug te draaien zonder het nieuwe spoorboekje te ontwrichten.

De impasse over het nieuwe spoorboekje maakt een einde aan de illusie van goedkoop openbaar vervoer dankzij marktwerking. De vroegere ‘paarse’ kabinetten zetten terecht in op verbetering van het openbaar vervoer, maar meenden dat ze er niet voor zouden hoeven te betalen als de NS maar naar de beurs zou gaan. De markt zou alles voor elkaar toveren. Van beursgang is inmiddels geen sprake meer en de kunstmatige winst van de verzelfstandigde onderdelen van het spoor is het eindresultaat van financiële onderhandelingen met het departement. Dat ministerie was in het verleden nonchalant met zijn concessievoorwaarden aan de NS. Bovendien had de overheid te weinig over voor onderhoud, waardoor treinen vaak stilvielen op kapotte wissels of onder gebroken bovenleidingen.

Het is gemakzuchtig om alleen de verzelfstandigde NS de schuld te geven van oponthoud en langere reistijden. De overheid en daarmee de meerderheid van de Tweede Kamer hebben de overbelasting van het spoor aan zichzelf te wijten.

Er zou meer lucht komen in de dienstregeling als het rijk extra geld zou steken in inhaalsporen en langere perrons in plaats van in prestigeprojecten. Maar de meerderheid van de kiezers reist niet per trein. Als de meeste politici liever geld steken in autowegen, moeten ze niet klagen over de NS. Ze kunnen beter de ontevreden treinreizigers aanraden met de auto te gaan, zodat de groei op het spoor ophoudt. Niet dat dat verstandig zou zijn, maar dan zijn ze wel eerlijk over hun politieke voorkeur voor vervoer per file.