‘Komt híj weer met die paardenworstjes’

Eten speelt een grote rol in de films van Alex van Warmerdam.

Culinair journaliste Janneke Vreugdenhil kookte voor hem de gerechten uit zijn films.

„Wat is dat?”

„Paardenworst.”

„En dat?”

„Gazpacho.”

„Moet ik dat eten?”

„Dat is de bedoeling, ja.”

„Ik heb geen honger.”

En dan: „Uit welke film komt die boterham met cornedbeef eigenlijk?”

Hij wil dan misschien niet eten, maar Van Warmerdam doorziet wel direct mijn bedoelingen. Ik heb uit elk van zijn zes speelfilms een gerecht meegenomen. De paardenworst komt uit Kleine Teun, de gazpacho uit Grimm en de sliptongetjes uit De Jurk. De griesmeelpudding komt uit zijn nieuwste film Ober. Voor de boterham met cornedbeef uit De Noorderlingen ben ik speciaal naar een ouderwetse slager gefietst, waar ik het paarsroze persvlees in extra dikke plakken heb laten snijden. En natuurlijk heb ik haring meegenomen. „Lekkere zoute haring”, zoals Victor, de vader van Abel het uitdrukt in Van Warmerdams eerste film.

Waarom wordt er zoveel gegeten in jouw films, vraag ik hem. „Tja, dat eten, daar heeft iedereen het altijd over. Ik word er zelfs mee gepest. Heb je hém weer met die paardenworstjes, zeggen ze dan.

„Weet je wat het is”, zegt de filmmaker, „tafelscènes zijn dramaturgisch gezien ideaal. Je zet een aantal personages aan een tafel en er ontstaat vanzelf een dialoog. Als ik ze niet aan tafel zou zetten, waar zou ik ze dan moeten plaatsen? Op de bank? Dat is toch saai. Het voedsel zelf is feitelijk bijzaak. Ik gebruik eten vaak als middel om de mankementen van een gezin te bloot te leggen.”

Dat deed Van Warmerdam al in de openingsscène van zijn eerste film, waarin Abel met zijn ouders Victor en Duif aan het kerstontbijt zit. De tafel is feestelijk gedekt, er branden kaarsjes. Heel even lijkt het gezellig, maar de culinaire dialoog die volgt maakt al snel duidelijk dat de relaties binnen het gezin flink ziek zijn.

Abel: „Zeg, die zalm is heerlijk.”

Duif: „Ja, ik dacht, altijd maar garnalen, nu maar eens zalm.”

Abel: „Die garnalen hebben van mij nooit gehoeven. Maar ja, híj wilde altijd garnalen.”

Victor: „Ik hou helemaal niet van garnalen, jíj wilde altijd garnalen. Duif, wie wil er altijd garnalen?”

Duif: „Je vader heeft gelijk.”

Abel: „Dus ik lieg?”

Duif: „Dat zeg ik niet, maar je wilde wel altijd garnalen.”

Abel: „Zeg dan dat ik lieg.”

Duif: „Je liegt.”

Ook in De Noorderlingen zit een onverkwikkelijke gezinsmaaltijd, in Grimm is de sfeer tijdens het eten om te snijden en in Kleine Teun is het niet anders. In Ober loopt zo’n beetje elke scène uit op een knokpartij, dus ook de vele scènes in het restaurant. Is de maaltijd in Van Warmerdams ogen misschien hét moment om meningsverschillen uit te vechten?

„Toen ik klein was, was dat wel zo. Ik ben opgegroeid in een groot gezin, zat elke avond met mijn ouders, mijn twee broers en tweelingzusjes aan tafel. Er werd heel wat afgeschreeuwd. Ik schijn nogal een treiterkop te zijn geweest en het kwam regelmatig voor dat mijn moeder huilend de kamer verliet. Dan zei mijn vader: ‘Hebben jullie nu je zin?’ Dat klinkt dramatisch, maar dat soort ruzies kunnen heel gezond zijn. Eten is ook een middel tot verbroedering. Ik heb aan die maaltijden goede herinneringen. We aten met smaak. Gewone, Hollandse dingen, lof, bloemkool, aardappels, op vrijdag gebakken vis en ’s zondags suddervlees. Mijn twee zonen wonen nog thuis en ook bij ons wordt elke avond met het hele gezin gegeten. Aan de keukentafel. Ik vind dat noodzakelijk, dat bij elkaar zijn. Een teken van beschaving.”

Het eten in zijn films is ook erg Hollands: archaïsche gerechten als zure zult, niertjes, stokvis. Wat zeggen die gerechten over zijn films? „Soms gebruik ik eten om een karakter meer uit te diepen. In Abel laat ik Christine een fobie hebben voor tomaten. Ze beweert dat ze ze niet mag eten omdat ze uit de nachtschade-familie komen. Dat truttige, macrobiotische uit de jaren zestig past bij haar.

„Eten kan een film bovendien iets authentieks geven. Als ik naar een Italiaanse film kijk, vind ik het lekker als daarin pasta met tomatensaus wordt gekookt. En ik let ook erg op de klank van een gerecht. Zure zult vind ik prachtig klinken, net als paardenworstjes, nachtschade en cornedbeef.”

Van Warmerdam laat zijn personages vaak voedsel aan elkaar opdringen. Op mijn vraag of hij eten gebruikt als machtsmiddel, antwoordt hij: „Macht is nu eenmaal een van de thema’s in mijn werk.”

Wil hij niet eens een echte culinaire film wil maken, zoiets als Babette’s Feast, Tampopo of Big Night? „Welnee, ik wil er juist vanaf. Ik heb het gehad met dat eten. Je kunt in Ober zien dat het geen rol meer speelt. Niet in het intermenselijke verkeer althans. Er zitten ook geen vergeten gerechten in; dat vlees en die aardappels en boontjes doen niet ter zake. Ik vind het wel jammer dat ik een scène heb moeten schrappen waarin Edgar boerenkool met worst voorzet aan zijn Japanse gast. Het was een prachtig fragment, zo’n Japanner die boerenkool eet met stokjes, maar het haalde de vaart eruit en is gesneuveld.”

Als ik Van Warmerdam zo hoor, kan hij het eten maar moeilijk loslaten. „Ik vraag me weleens af hoe andere filmmakers dat doen. De meeste mensen zitten drie keer per dag aan tafel, hoe weten ze dat te vermijden? Zelfs als je je personages in de woestijn zet, dan hebben ze op een gegeven moment toch weer honger.”

Ober is vanaf 28 september te zien in de bioscoop. Op 7 september komt een dvd-box uit met Abel, De Noorderlingen, De jurk, Kleine Teun en Grimm. Met dank aan de Kompaszaal.