In China mag alleen de staat corruptie bestrijden

In China zijn de afgelopen maanden duizenden journalisten opgepakt. Even leek er hoop voor de persvrijheid, toen een van hen werd vrijgesproken van spionage.

De vrijspraak van Zhao Yan, beschuldigd van het lekken van staatsgeheimen naar The New York Times, leek vorige week een onverwachte overwinning voor de persvrijheid in China. Toch is er weinig reden voor optimisme, gezien de campagne die de Chinese overheid is gestart om de controle op de media aan te scherpen. Duizenden Chinese journalisten zijn de afgelopen maanden opgepakt, en een aantal informanten van buitenlandse media is veroordeeld wegens spionage.

Het jongste voorbeeld is dat van Ching Cheong (56), een in Hongkong gevestigde correspondent voor de Singaporese Straits Times. Hij werd gisteren tot vijf jaar cel veroordeeld wegens het onthullen van militaire staatsgeheimen aan Taiwan en het opzetten van een spionagenetwerk. De door de staat gecontroleerde Chinese pers vermeldt dat Ching spionage heeft bekend, maar zijn advocaten ontkennen dat.

President Hu Jintao wil corruptie en machtsmisbruik door lokale autoriteiten aanpakken, maar treedt tegelijkertijd hard op tegen activisten, klokkenluiders en informanten van buitenlandse media die buiten de overheid om corruptie, landonteigeningen en andere misstanden aan de kaak willen stellen.

Zhao Yan (44), de medewerker van The New York Times, zou het dagblad begin jaren negentig hebben ingelicht over de rivaliteit tussen president Jiang Zemin en zijn opvolger Hu Jintao en het mogelijk terugtreden van Jiang Zemin als leider van de militaire commissie van de partij. Hij werd hiervoor weliswaar vrijgesproken, maar werd wel veroordeeld wegens fraude tot drie jaar cel. Zhao zou geld hebben aangenomen van een ambtenaar met juridische problemen in ruil voor huIp.

Volgens het door de staat gecontroleerde persbureau Nieuw China, dat putte uit een door de rechtbank verspreid document, reisde Zhao in 2001 naar de noordelijke provincie Jilin om onderzoek te doen voor de in Peking gevestigde krant Baixing Xinbao. Onderwerp was de ambtenaar Feng Shanchen, die tot anderhalf jaar dwangarbeid was veroordeeld. Zhao zou tegenover Feng verklaard hebben diens straf in ruil voor 2.000 dollar ongedaan te kunnen maken, maar nam volgens het document het geld aan zonder zich aan de afspraak te houden.

Volgens Jerome Cohen, de Amerikaanse adviseur van The New York Times in de zaak, werd de fraudeaanklacht toegevoegd toen duidelijk werd dat er onvoldoende bewijs was voor een veroordeling wegens spionage.

Zowel het proces tegen Zhao als dat tegen Ching vond plaats achter gesloten deuren, dat tegen Zhao overigens ook zonder verdediging. Desondanks meldt het document dat Zhao’s rechten volledig zijn gerespecteerd. Zhao ontkent alle aanklachten en overweegt in hoger beroep te gaan.

Woordvoerder van het Amerikaanse ministierie van Buitenlandse Zaken Gonzalo Gallegos sprak na Zhao’s veroordeling de vrees uit dat die en de arrestatie van andere persinformanten en activisten deel uitmaken van „een patroon van officiële bedreiging”.

Volgens sinoloog Daan Bronkhorst van Amnesty International is het moeilijk te zeggen of er sprake is van een trend. „Het beeld is geschakeerd. Enerzijds zou je kunnen zeggen dat de zaak tegen Zhao juist een doorbraak heeft opgeleverd. Nog nooit eerder werd een aanklacht wegens het onthullen van staatsgeheimen ingetrokken. Anderzijds zijn er nog steeds veel ‘administratieve detenties’.”

Op het internet laat de overheid in de marge veel toe, vervolgt Bronkhorst. Maar tegen activisten die strijden voor de rechten op het platteland en die een grote achterban zouden kunnen mobiliseren, wordt volgens hem in vergelijking met vroeger harder opgetreden. „Wie in China boeren mobiliseert tegen onteigeningen of arbeiders tegen uitbuiting, tast het monopolie aan dat de communistische partij zegt te hebben op zorg voor het welzijn van het volk”, legt hij uit. „Een verschil met vroeger is dat dissidenten nu makkelijker in contact kunnen komen met buitenlandse media. Dat verontrust de autoriteiten.”

De druk om meer openheid neemt toe omdat steeds meer buitenlandse journalisten zich in China zullen vestigen in verband met de Olympische Spelen in 2008. Maar om problemen met opstandige Chinese journalisten in de aanloop naar de Spelen te voorkomen zullen de Chinese autoriteiten de controle op klokkenluiders eerder verscherpen dan versoepelen. „Het is hard tegen hard”, zegt Bronkhorst. „Activisten voelen dat het moment is aangebroken om contact te zoeken met buitenlandse media.”