Hulp uit het Westen werkt als een boemerang

Na de etnische rellen op het Indonesische eiland Oost-Timor kwam de ontwikkelingshulp op gang. Veel is aan de verwoeste infrastructuur besteed. Nog meer is ‘verdampt’.

Een paar bleke nette jongens en meisjes uit New England zijn helemaal naar Oost-Timor gereisd om te helpen. Maar ze zitten de hele week te kletsen op het terras van het City Café, waar de cappuccino net iets meer kost dan het gemiddelde daginkomen van de Oost-Timorees. Niet dat ze lui zijn maar de hulporganisaties van de Verenigde Naties en de vele charitatieve instellingen leveren zelf behoorlijk werk. Er is geen honger onder de 150.000 vluchtelingen in de tentenkampen, hooguit angst voor het regenseizoen dat straks gaat komen.

De rellen, de noodtoestand en de internationale hulpacties hebben in de straten van de steden Baucau en Dili nieuw leven gebracht. Naast de stokoude auto’s rijden nu weer nieuwe jeeps af en aan. Aan de kade worden ze met een kraan uit het schip getild. Het biedt wat werk aan de mensen hier, een stuk of tien restaurants leven ervan en de hotels hebben hun prijzen verhoogd.

Goedkoop is het leven in dit jongste land van Azië niet, want praktisch alles moet van ver komen. Timor Leste exporteert wat koffie en – deels illegaal – wat hout, maar dan houdt het ook wel op. Verreweg de meeste mensen leven van wat het land oplevert. Vooral cassave, banaan, ei en af en toe de kip.

Oost-Timor heeft de laatste vijf jaar alles bij elkaar een kleine 3 miljard euro aan ontwikkelingsgelden ontvangen. Dat is een stevig bedrag voor een straatarm land met 1 miljoen inwoners. Daarmee is de infrastructuur, die door wegtrekkende Indonesische troepen was vernietigd, weer enigszins opgebouwd. Verder is het geld gewoon verdampt. In vakkringen hier wordt gesproken over zogeheten boemeranghulp – geld van westerse donors dat weer in westerse zakken belandt. Meestal in de zakken van consultants.

Het is niet eens kwade opzet: de Wereldbank bijvoorbeeld betaalt mee aan de inrichting van een curriculum voor de lagere scholen. Maar er is geen Timorees te vinden die zoiets kan maken en dus gaan consultants, uit Amerika in dit geval, aan de slag en zij rekenen Washingtonse consultancyprijzen plus wat heen-en-weer vliegen. En dan moeten er schoolboeken komen. Niemand in Oost-Timor die dat kan, redactie noch productie noch distributie. Wederom volgt uitbesteding in het dure Westen. En dan is er tot overmaat van ramp ook nog Portugese ontwikkelingshulp waarmee een van de nieuwe officiële talen – Portugees – in die boeken moet. Dat spreken maar weinig mensen, ook de onderwijzers niet, maar het lukte Portugal met succes om de taal weer te introduceren. Al die teruggekeerde Timorese ballingen uit Angola en Mozambique spraken het ook en vonden het prachtig. Enzovoorts, enzovoorts.

VN-secretaris-generaal Kofi Annan gelastte onlangs een onderzoek naar ‘de kwaliteit van de technische assistentie’. En ongetwijfeld zijn er de nodige ontwikkelingsgelden in commissie en in gedwongen winkelnering blijven hangen. Diverse zakenlieden melden op voorwaarde van anonimiteit enigszins gefrustreerd dat ze om die reden niets meer met de VN te maken willen hebben.

Maar, aldus een chef de mission in Dili, met de kwaliteit van de ingekochte consultancy is over het algemeen weinig mis. „Alleen is het net als met de Verenigde Naties zelf, elke donor draait zijn eigen programma, heeft zijn eigen agenda en dat stimuleert de verwarring.”

De boemerang is zichtbaar op het kantoortje van de Oost-Timorese minister van Financiën, Madalena Baovista. Ze is een verlegen tengere vrouw van vijftig, spreekt Portugees en het locale Tetum, maar geen Engels. De twintig jaar van gedwongen Bahasa Indonesia, toen Indonesië hier de dienst uitmaakte, heeft ze gemist. Toen verbleef ze als politieke balling in Mozambique. Daar is ze opgeleid in marxistischer tijden.

Tegenover haar zitten nu twee Portugezen. Zij staan op de loonlijst van de Wereldbank, met hen kan ze communiceren en via hen loopt wetgeving. En zo is het op elk kantoor: westerse assistenten, betaald uit ontwikkelingsgeld, die voor uitvoering en advies weer opdrachten verstrekken in westerse hoofdsteden of in Japan.

Oost-Timor is een van de armste landen ter wereld. Door de enorme bevolkingsgroei – dit jaar weer boven de 3 procent – daalt het inkomen per hoofd van de bevolking ook nog. Belastinginkomsten zijn beperkt. Van de import en exportheffingen moet minister Baovista het niet hebben met de twintig containers die gemiddeld per dag een schip in- of uitgaan in de haven aan de overkant van haar kantoortje.

Zorgen over monetair beleid hoeft ze ook niet te hebben, want het officiële betaalmiddel is de Amerikaanse dollar. De minister: „Maar de dollar is tijdelijk, als de ontwikkeling van het land het toelaat, willen we een eigen munt.” Ze moet er zelf om lachen. Die dollar is overigens wel een hinderlijk gegeven, want zonder devaluatie-instrument is Oost-Timor hardhandiger aan de wereldmarkt blootgesteld dan voor een ontwikkelingsland goed is.

Tegenover de armoede staat het indringende optimisme van de internationale organisaties die hier verblijven. „Het land en zijn leiders hebben in bijna vier jaar tijd sedert de onafhankelijkheid indrukwekkende stappen gezet en de basis gelegd voor de staat”, schreef de plaatselijke tak van de Wereldbank nog begin april. En Wereldbank-president Paul Wolfowitz zei het hun na: „Opmerkelijke prestatie.” Maar nog geen twee weken later vlogen ook in een straat achter het Wereldbank-kantoor de brandbommen ’s avonds door de lucht en weer een paar weken later landden 2.000 man Australische troepen in alle haast om een dreigende chaos te voorkomen. Onderhuids zit er tussen diverse bevolkingsgroepen veel spanning en oud zeer dat plotseling naar de oppervlakte kan komen.

Naast een boemerangeffect van ontwikkelingshulp is er dus bij de donoren ook een matig zicht op de werkelijkheid in Oost-Timor geweest de laatste jaren. Het land kan weer opnieuw beginnen.

Temidden van de uitgebrande huizen, de roesthopen van lang geleden gestrande schepen en de tenten van nieuwe vluchtelingen staat een klein mooi gebouw, het Nationale oliefonds. Voor alle Timorese politici is het hun baken van optimisme. In de territoriale wateren van Oost-Timor is olie en gas gevonden en Australië haalt dat daar sinds kort uit de bodem. Maar liefst 250 miljoen dollar komt dit jaar in de Timorese oliepot, dat is in één klap bijna een verdubbeling van het bruto nationaal product. En voor volgend jaar wordt meer dan 300 miljoen oliegeld verwacht. Dat brengt weliswaar geen werk in het land maar in elk geval extra middelen.

Het Oliefonds is een Noorse inrichting. Analoog aan de behoedzame manier waarop Noorwegen met zijn olie-inkomsten omgaat, hebben consultants uit dat land het Timorese fonds ingericht en volgens minister Baovista nog beter: „We noemen het Noors-plus”, zegt ze. Ze is zelf niet zo van internet, maar in principe kan zij, net als iedereen, via een website volgen hoeveel geld in kas is, waar het wordt belegd (Amerikaanse staatsobligaties) en wat er op grond van welke besluiten uit wordt gehaald. Zo heeft de regering besloten om nog twee brandweerauto’s aan te schaffen en een extra patrouilleboot om illegaal vissen vanuit Indonesië tegen te gaan.

En er is meer optimisme. Een straat verderop heeft Ninette Magno met haar vriend een restaurant, Harbour View. Twee jaar geleden zijn ze uit de Filippijnen hierheen gekomen, zij voor het restaurant en haar vriend als bedrijfsleider in de bouw. „Nee, in het begin viel het niet mee, maar nu sinds de rellen zijn de buitenlanders terug en die komen hier graag eten en drinken.” Bovendien heeft ze sinds enkele maanden een eigen bouwbedrijfje. „We hebben al een opdracht van de Wereldbank gekregen voor een reparatie, en de eerste aanbetaling is al binnen.”

Haar analyse is overzichtelijk: „Er komt nu naast geld van de donorlanden ook oliegeld en als je kijkt naar wat hier gebeurt, ze steken om de paar jaar huizen in brand. De bouw is een degelijke branche aan het worden. En wij van de Filippijnen zijn harde werkers.”

Het is het drama in een notedop: een land zo arm dat Oost-Timorezen zelf met geld maar weinig kunnen beginnen en zonder geld helemaal niets.