Grasssprietjes *

Van twee bekende Duitsers zijn ongeveer tegelijkertijd jeugdherinneringen uitgekomen. De eerste is Günter Grass, wiens herinneringen nu al bijna twee weken stof doen opwaaien, omdat hij erin onthult dat hij, 17 jaar oud, soldaat in de Waffen-SS is geweest (tot nog toe had hij altijd gezegd bij de luchtafweer gediend te hebben). De andere is Joachim Fest, met 79 één jaar ouder dan Grass. Hij komt uit een heel ander milieu dan deze. Zijn vader was directeur van een school, tot hij wegens antinazigezindheid in 1933 ontslagen werd. Bovendien was hij katholiek en conservatief, terwijl Grass als jongen overtuigd nazi was en nog steeds fulmineert tegen wat hij de katholieke ‘mufte’ noemt.

Het was niet gemakkelijk voor een verarmd gezin als dat van Fest zijn kinderen te behoeden voor de verleidingen die onderworpenheid aan het regime bood. Toch deed vader Fest het. Toen een zoon zich vrijwillig bij de Luftwaffe meldde om zo aan de Waffen-SS te ontkomen, was hij woedend: „Je meldt je niet vrijwillig voor Hitlers misdadige oorlog.” Wat zoon Joachim betreft, spreekt de titel van zijn herinneringen al voor zichzelf: Ich nicht.

Toch krijg je de indruk dat links Duitsland het verleden van de jonge Grass eerder vergeeft (op zichzelf terecht overigens) dan het cultuurconservatisme van Fest, die schrijver is van standaardbiografieën van Hitler en Albert Speer en als uitgever van de Frankfurter Allgemeine de historicus Ernst Nolte gelegenheid gaf zijn omstreden theorie over de oorzaken van de jodenmoord te lanceren, die aanleiding zou geven tot de Historikerstreit.

Deze achtergrond diene als inleiding tot een vraag waarmee de historicus Johann Chapoutot (mij verder onbekend) zijn dubbelbespreking van beide herinneringen in Le Monde van 26 augustus eindigt: beide werken confronteren ons met de „kwellende vraag, waardoor waanzin, het absolute kwaad of weet ik wat voor cultureel determinisme dat Hitler met Luther verbindt, overbodig worden als uitleg: wat zouden wij in zo’n geval gedaan hebben”?

Ik moet bekennen dat ik mijzelf ook telkens die vraag stel wanneer ik kennis neem van (autobiografieën) van Duitse leeftijdgenoten of jongeren. Wat zou ik als Duitse jongen, met een Duitse opvoeding, in 1933 en later gedaan hebben? Zou ik als tiener (of zelfs ouder) verzet tegen Hitler hebben gepleegd? Ik hoop dat ik dan sterk genoeg zou zijn geweest om althans weerstand te bieden aan de verleidingen van het regime, maar het antwoord op die vraag is, vrees ik, minder stellig dan ik wel zou wensen. Ik kan slechts het toeval zegenen dat ik in die tijd geen Duitse jongen was.

Maar de vraag naar een cultureel determinisme dat in Luther een soort voorloper van Hitler ziet, vind ik niet minder ‘kwellend’. De historicus Pieter Geyl bestreed dit determinisme en de these dat wij Hitlers „misdadige waanzin” moeten zien als „de natuurlijke culminatie van een eeuwenlange Duitse geschiedenis”, maar zonder die geschiedenis, de Romantiek bijvoorbeeld, is die waanzin toch ook niet helemaal te verklaren?

Duitsers zelf maakten zich al vroeger zorgen over de duistere onderstromen in die geschiedenis. Zo schreef Goethe in 1830 (hoogtij van de Romantiek) over het „ziekelijke enthousiasme van ons volk”, waarin – en nu laat ik het verder onvertaald – „ein Geist sensueller Exaltation waltet, etwas Überschwengliches, das mich fremdartig anweht”.

Thomas Mann schreef ongeveer een eeuw later: „De Duitser denkt niet politiek, maar tragisch, mythisch, heroïsch” en onderscheidt zich daardoor van andere Europese volken. Het verklaart zijn eenzaamheid, die door verscheidenen wordt opgemerkt, o.a. door de jezuïet pater Alfred Delp, die het in zijn laatste aantekeningen vóór zijn terechtstelling in 1944 heeft over „dieses Volk, im Grunde so einsam und ratlos trotz all der marschierenden und deklamierenden Sicherheit”.

Ook de Zwitser Carl J. Burckhardt noemt Duitsland „die sonderbare und einsame Nation, in der die höchsten und niedrigsten Eigenschaften in so heimlicher Mischung beieinander wohnen, so dass gar oft die Mass des Hohen die Grenzen des Niedrigen verwischen, und diese grenzenlose Urteilsschwäche ersteht, die Goethe lebenslang in der Natur seines Volkes so überaus erschreckte”.

Vlak na de oorlog schreef de Nederlandse theoloog (later professor) H. Berkhof, die in Duitsland had gewerkt: „In het snelle en brutale proces van achterstand-inhalen werd Duitsland juist het gebied waar de afgronden en demonieën van Europa’s weg het meest onverhuld openbaar werden.” Elders noemt hij „de gevaren en gevolgen van de moderne autonome cultuur (die) pas in Duitsland voluit zichtbaar zijn geworden”. Hij zag in de Duitse geschiedenis een aparte manifestatie van een Europese ontwikkeling, dus niet iets zó verschillends.

Wat daar ook van zij – zulke gedachten kwamen op bij mij – zelf deel van een cultuur die allerminst tragisch, mythisch of heroïsch, eerder gezapig is – bij het lezen van Grass’ bekentenis: dat overdreven (überschwenglich?) schuldgevoel over wat hij als jongen van 17, ja van 12, gedaan of juist niet gedaan had; dat onvermogen om zelfs nu nog zijn lange zwijgen bevredigend te verklaren. Net wanneer iedereen Duitsland een ‘normaal’ land is gaan vinden, doemen de demonen van het verleden weer op.

In mijn artikel van 24 augustus trok ik een vergelijking tussen Grass en Willem Aantjes, die, tewerkgesteld in Duitsland, in aansluiting bij de Germaansche SS een middel zag om zo naar Nederland te kunnen terugkeren. Ook hij had daar jaren over gezwegen. Een vergelijking met de Italiaanse schrijver en (evenals Grass) Nobelprijswinnaar Dario Fo levert meer punten van overeenkomst op.

Na zijn bevrijding in 1943 door de Duitsers richtte Mussolini, onder Duitse bescherming, in Noord-Italië zijn ‘Repubblica Italiana Sociale’ op, waarin hij zijn totalitarisme dacht beter te kunnen verwerkelijken dan hij tussen 1922 en 1943 in het koninkrijk Italië had kunnen doen. De 17-jarige Fo, woonachtig in Noord-Italië, zag in aansluiting bij Mussolini’s leger een mogelijkheid om aan tewerkstelling in Duitsland te ontkomen. Na een paar weken deserteerde hij.

Gevraagd naar het geval-Grass zei hij: „De jonge Grass heeft zich zeker gemeld omdat hij door romantische, heldhaftige wellingen werd gedreven. Bij ons (in Italië) overheersten opportunisme en overlevenswil. Aan het eind stonden wij er beter voor. Om het met Brecht te zeggen: gelukkig het land dat geen helden nodig heeft.

* Met excuses aan Frederik van Eeden, alias Cornelis Paradijs.