Glasvezel geeft schier onuitputtelijke capaciteit

In een reactie van Rob van Esch op mijn Opinieartikel in NRC Handelsblad van 16 augustus, beschuldigt hij mij van ”technologiefetisjisme”. Ik verkeer in de luxe situatie onafhankelijk te zijn, Van Esch wordt betaald om de belangen van de kabelbedrijven te behartigen.

Kern van mijn betoog is, dat het een verspilling van geld en kansen is, dat er zich twee telecommunicatienetten naast elkaar ontwikkelen: de uitbouw van respectievelijk het klassieke telefonienet en van kabelnetwerken. Als de betrokken partijen hadden samengewerkt, zou de consument nu al een zeer breedbandige glasvezelaansluiting kunnen hebben.

Van Esch denkt dat aan de ene kant de kabelnetwerken toekomstvast zijn en aan de andere kant een glasvezelnet tot in de woningen te duur is. Beide waag ik te betwijfelen en ik word daarin gesterkt door een rapport dat vermeld wordt in de Wall Street Journal van 17 augustus. Dat rapport is nota bene opgesteld door Cable Labs, min of meer de US-variant van Vecai. Dat rapport twijfelt er aan, of steeds verdergaande investeringen in kabelnetten wel zinvol zijn. Dat baseren zij enerzijds op een kostenafweging tussen kabel en glasvezel tot in het huis, en anderzijds de potentiële capaciteit van die netwerkconcepten.

Achtergrond daarbij is, dat de consument steeds meer behoefte krijgt aan hogere datasnelheden.

Het verleden heeft daarbij geleerd, dat hoeveel je de abonnee ook geeft, het blijkt nooit genoeg te zijn. Hoezo technologiefetisjisme? Door glasvezel tot in de woning te brengen, voorzie je de consument in potentie van een schier onuitputtelijke capaciteit.